2011 tour

2011 tour

Europa | Kazachstan | Mongolië  | Rusland | weer thuis


Europa

 
De eindsprint en uit de startblokken
1 april – 13 april Velp – Krumpa – Dresden - Krakow
Vanaf 1 april begint onze vakantie... tenminste, we hoeven ons niet meer op het werk te vertonen. Dat wil helaas niet zeggen dat het grote relaxen al kan beginnen. Een van de heilige voornemens was dat Mirjam haar studie, of althans de bachelorfase, zou afronden voor deze reis. Nou, dat is gelukt, maar vraag niet hoe. 5 april nog een laatste tentamen, 6 april de thesis bespreken, de opmerkingen nog snel verwerken en op 7 april inleveren. Emiel had ook nog voldoende te doen en regelen, paspoorten halen, nog het land door om de nodige spullen te verzamelen en nog menig uurtje bij en met Paul van PSP campers en de laatste dagen voor de deur nog wat aandraaien, vastschroeven, opbergen etc etc. Onze streefdatum van 9 april hebben we dan ook niet helemaal gehaald, maar gezien al het werk wat nog verzet moest worden is 11 april ook heel knap!  Dat wil niet zeggen dat we onze afspraak om zaterdagavond te kamperen bij Leon & Claire afblazen. Dit had onze eerste stop op weg naar Mongolië moeten zijn, maar afscheid nemen kunnen we natuurlijk sowieso. De wodka smaakt een aantal aanwezigen misschien te goed gezien de conditie waarin we ze de volgende ochtend aantreffen. Maar gezellig was het!
 
Die maandag staat er ook eerst nog wat op het programma, nog even langs de dierenarts voor een gezondheidsverklaring (Duco en Syma zijn in sportconditie!), nog wat filters halen bij de Land Rover dealer, het huis een beetje schoon maken, de sleutel om draaien en daar gaan we dan. Weggaan was vorige keer toch echt anders. 
Nog een stop bij het ANWB kantoor voor het internationaal rijbewijs en nog een schuld inlossen bij HT suspension in ’ s Heerenberg en dan is het echt klaar. We zijn op weg!!
 
De ochtend is al voorbij en het is vroeg in de middag als we koers zetten richting Dresden. Dit is zo’n 700 km dus we hebben het al uit ons hoofd gezet dat we dat vandaag gaan redden, maar de GPS is optimistisch en belooft ons dat we tegen 19.30 daar moeten zijn. Pas heel veel later komen we erachter dat het echt niet kan kloppen, en dat is ook zo, de GPS geeft nog wintertijd. Maar wat een mooie dag om een reis te beginnen, de zon schijnt uitbundig en het is boven de 20 graden, niets of niemand kan ons goede humeur verpesten. We checken de kaart op GPS en papier en vinden niet heel ver van waar we zijn een aantal meertjes. Daar moet of een camping of een geschikte plek voor een bushcamp te vinden zijn. Na wat omzwervingen komen we uit in Krumpa bij Karl Lehmann die een pension en campers-kampeerplek uitbaat. We worden daar zeer hartelijk welkom geheten. We moeten – met auto natuurlijk – op de foto en hij nodigt ons uit om als we gesettled zijn en wat gegeten hebben een glas met hem te drinken. Dat aanbod nemen we graag aan zo hebben we een zeer plezierige eerste avond. Een goed voorteken! Als we nog zoveel gastvrije mensen gaan ontmoeten dan komt het wel goed.
 
De volgende ochtend heeft Karl een zak met verse warme broodjes aan de autospiegel gehangen, dat is goed wakker worden (en ontbijten natuurlijk). Het weer is omgeslagen; het is zwaar bewolkt en er staat een stevige wind. Na een winderige wandeling met de honden stappen we in en gaan we richting Dresden. We hebben al vaak gehoord dat we deze stad echt niet voorbij kunnen racen en dat doen we dus ook niet. En het is waar, het is een mooie oude stad met indrukwekkende oude gebouwen. In de ‘Altstadt’ wordt heel hard gewerkt om ‘m nog mooier te maken. Op veel plekken is het een grote bouwput. Maar wat af is, is niet te versmaden. We wandelen een paar uurtjes rond, zitten net op tijd binnen met koffie en broodjes om een gure bui te ontlopen, doen nog wat inkopen en zoeken halverwege de middag een camping in de buurt van de stad op. Vandaag geen kilometers vreten, dat komt morgen wel weer.
 
De volgende ochtend blijkt het een goede dag te zijn om te rijden. Het is koud en druilerig weer. We breken op, lopen met de honden (die er ook geen plezier in hebben in de regen) en besluiten de snelweg door Polen tot aan Krakow te pakken. We realiseren ons dat we hiermee veel wat ook de tijd en aandacht waard is links laten liggen. Maar tegelijkertijd bedenken we dat Polen niet zo ver weg is, en dat het een prima zomervakantie bestemming kan zijn. Nu willen we doorhalen richting Oekraïense grens. De weg is prima en na 500 km stoppen we bij een camping – met internet! – in Krakow. Het is pas 16.30 uur dus we hebben lekker nog wat uurtjes om te internetten en een update te schrijven, bij deze dus! 
 




 

Nu begint het echt!

14 - 22 april – Ploen (Polen), Tjeropil, Uman, Pavlorad (Oekraïne), Tangarog, Ust Donetkiy, Tormosin, Volgograd (Rusland)
 
Donderdag 14 april
De donderdag start met een kort (of dat was de bedoeling) bezoekje aan de plaatselijke Land Rover dealer. In onze kleine reserveronderdelenverzameling mist nog een V-snaar, deze was in Nederland niet op voorraad en het blijft zeuren in het achterhoofd dat we dit toch echt nog even moeten regelen. We vinden het adres dankzij de GPS snel en ze zijn reuze behulpzaam en laten er eentje opsnorren in een of ander magazijn elders in Krakow. Het beloofde kwartiertje wordt natuurlijk al snel een uur en een kwartier, maar ja, zo gaan die dingen nu eenmaal. Met een V-snaar rijker ook nog even een stop voor wat brood en verse groente. De ochtend is dan ook al bijna voorbij als we eindelijk richting Presmysl vertrekken. Was eerder de weg altijd erg rustig, sinds gisterenmiddag is het druk! Enorm veel vrachtverkeer en we vorderen dan ook slechts langzaam. Totdat we rond 14.00 uur helemaal tot stilstand komen en uit het gedrag van onze medeweggebruikers opmaken dat dit wel eens lang zou kunnen gaan duren. We keren om en zoeken een kleinere weg om de file heen. Dat lukt prima en is ook eigenlijk veel leuker rijden; het duurt natuurlijk alleen wel erg veel langer dan over de snelweg of wat daar voor doorgaat. Maar we krijgen zo wel een leuk inkijkje in het dorpsleven in Polen. De bouwstijl van de meeste huizen is weinig vernieuwend, maar veel huizen zien er best goed onderhouden uit. Verder allemaal een tuintje, maar tuiniers zijn het niet. Wat gras en struiken en soms wat groente, meer is het meestal niet. Het meest opvallende zijn nog twee huizen die net af lijken die aan de buitenkant helemaal met halve schoteltjes beplakt zijn. Bijzonder! Verder hebben Polen op de weg haast. Ook door de dorpen heen scheurt men rustig met 80 km door. Wij doen het wat rustiger aan. Zo rustig, dat we rond 16.00 uur besluiten dat we de grens niet meer gaan halen vandaag. Het lijkt ons geen goed idee om rond 18.00 uur aan te komen met twee onrustige, hongerige honden die behoefte hebben aan eten, aandacht en beweging. We hebben geen idee hoe lang de grensformaliteiten gaan duren, maar houden er altijd rekening mee dat we een aantal uren moeten wachten, formulieren invullen, nog even wachten etc.  Duco en Syma gedragen zich over het algemeen keurig in de auto. Ze kijken naar buiten als we vertrekken of langzamer gaan, en installeren zich comfortabel zodra we op de snelweg rijden en ze in de gaten hebben dat het even gaat duren. Voordat we ’s morgens vertrekken wordt er eerst goed gewandeld en in de middag ergens tussen 14.00 en 16.00 stoppen we voor een lunch-, wandel en plaspauze. Maar tegen de klok van 16.00 uur weten ze dat het hoog tijd is en worden ze onrustig en opgewonden zodra je vaart mindert en uitstapt. Dan is het tijd voor een break. Door het oponthoud eerder vandaag is de pauze ook wat naar achteren geschoven en beginnen ze zich te roeren. Tijd dus voor stop, en nu gelijk voor de rest van de dag. Morgen vertrekken we dan vroeg voor de grens.
 
Dat is wat makkelijker gezegd dan gedaan want dit deel van Polen is behoorlijk dicht bebouwd. Ieder klein weggetje wat we inslaan om een rustige plek te vinden, blijkt enkel naar een huis te leiden met geen mogelijkheid van de weg af te rijden. Pas naar meerdere pogingen vinden we eindelijk een stuk waar geen huizen staan, maar bos. Het is wel duidelijk dat er gewerkt wordt, maar wij verwachten de volgende ochtend vroeg genoeg weg te zijn om de houthakkers voor te zijn. We rijden een stukje het bos in, vinden een zijpad wat niet recent bereden lijkt en besluiten het er hier op te wagen. Als we geïnstalleerd zijn, de honden hebben gegeten en wij een eerste glas wijn inschenken krijgen we bezoek. Een soort boswachter die in zijn auto aan komt rijden. Emiel loopt hem tegemoet en vraagt of hij Engels of Duits spreekt. Nee dus, hij begint wat te zeggen, waarschijnlijk dat we hier echt niet kunnen blijven, maar geeft het halverwege op, maakt een ‘laat maar’ gebaar met z’n handen en vertrekt weer. We nemen het maar aan als toestemming om een nachtje hier te slapen.
 
Vrijdag 15 april
We zijn vroeg wakker. De klok staat hier nog steeds op dezelfde tijd als in Nederland, maar we zijn inmiddels natuurlijk al een heel eind naar het oosten gereden. Het is dan ook nog vroeger licht dan bij ons. Als we wakker liggen te worden zo rond 5.30 uur horen we in de verte al de motorzagen en vrachtauto’s. Dat slaapt niet rustig meer, dus we pakken de boel in en vertrekken. Een paar kilometer verder vinden we een geschikte plek voor ontbijt, koffie & thee en de ochtendwandeling. Het is nog steeds vroeg als we bij de grens aankomen. Het eerste deel gaat wel heel voorspoedig, maar dat is niet zo vreemd, want dit is enkel de Poolse zijde. Door naar de Oekraïense collega’s. Er wordt wat in de auto gekeken, paspoorten gecheckt, waar gaan we heen, hoe lang blijven we in de Oekraïne, waar gaan we het land weer uit? De honden met hun paspoorten moeten ook nog even gecheckt. De official wil een certificaat zien waaruit blijkt dat ze gezond zijn. De gezondheidsverklaring staat in hun paspoort maar dat is niet wat hij wil zien. De beste man spreekt geen woord Engels of Duits en blijft herhalen ‘certificate’. En wij blijven aanwijzen in het paspoort dat dit het ‘certificate’ is. Ten lange leste geeft hij het maar op, en zet een stempel op een papiertje en laat weten dat het zo goed is. Emiel heeft nog even wat gedoe omdat hij enkel deel 3 van het kentekenbewijs bij zich heeft en niet deel 1 waarop staat dat hij de eigenaar van de auto is. Domweg vergeten! Eerder hadden we het ‘carnet de passage’  voor de auto en dat was voldoende. Toch nog even over nadenken hoe we dit gaan oplossen voor volgende grensovergangen. Na wat overleg besluiten ze hem te geloven op z’n mooie bruine ogen en mogen we door. Ruim 45 minuten later rijden we dan de Oekraïne in!
 
Het verschil tussen Polen en de Oekraïne is heel snel duidelijk. De huisjes langs de weg zijn klein en armoedig en de weg.... die is vreselijk slecht, maar uitzondering van een paar stukken, die zijn gewoon slecht. Gaten en kuilen overal. Een asfaltweg aanleggen is een ding, maar ‘m ook onderhouden, dat is heel andere koek. En duur natuurlijk. We lezen in onze Bradt reisgids dat de economische crisis de Oekraïne hard heeft getroffen en veel bouwprojecten zijn afgeblazen of stilgelegd. Blijkbaar is er dus ook geen geld voor het wegennet. Overal zie je wel ploegen die bezig zijn met provisorische reparaties, maar die zullen waarschijnlijk het begin van deze winter nog niet halen. Het wordt wel heel duidelijk hoe belangrijk goede infrastructuur voor een land is. De vergelijking met sommige Afrikaanse landen dringt zich wel heel nadrukkelijk op. En dat op 3 dagen rijden van huis. Dat wil niet zeggen dat alles en iedereen arm is hier! Ook hier rijden gewoon luxe BMW’s en Mercedesen en zijn er luxe supermarkten. Maar het merendeel van de bevolking moet ongetwijfeld bikkelen en er rijden heel wat auto’s rond die duidelijk met kunst- en vliegwerk rijdende worden gehouden.
 
We hebben niet de tijd (i.v.m. de ingangsdatum van ons Kazachstan visum) om lang in de Oekraïne rond te kijken. We nemen dan ook de weg die er op de kaart het beste uitziet van west naar oost. Drie dagen rijden we bijna alleen maar met een middagpauze voor de broodnodige beweging en om even te ontspannen. Het rijden is intensief want je moet je telkens enorm blijven concentreren. Het ene moment is de weg mooi en glad, maar dat betekent niet dat er niet over honderd meter ineens een diepe kuil kan zitten. Wat betere stukken wisselen af met slechte stukken, het maakt niet zoveel uit of je op de ‘hoofdsnelweg’ of een provincieweg rijdt. Het allerslechts is de weg telkens net voor, in en na dorpen of steden. Het lijkt alsof hier de gemeentes het onderhoud moeten doen, en die hebben er duidelijk geen geld voor (over).
 
Wat ons opvalt de Oekraïne doorkruisend:


- de omzet van witte verf moet enorm zijn. Overal langs de weg is men bezig paaltjes, stoepranden, boomstammen en vangrails van verse witte verf te voorzien. Dat gaat met grote halen snel thuis, even schoonmaken voordat je een nieuw laagje erop doet is echt overdreven.
- Overal zijn groepjes mensen bezig de bomen en struiken naast de wegen te snoeien, dit snoeihout op te stapelen en in de fik te steken. Het lijkt alsof er een soort sociale dienstplicht is en iedereen een dag of wat moet helpen.

- Bijna alle huizen zijn hetzelfde, klein, bijna vierkant met twee, en voor de beter gesitueerden drie, ramen voor. Een hek voor het stukje erf voor het huis, met daarin meestal een groentetuintje.

- De lente is hier minder ver gevorderd dan bij ons. De wilgenkatjes bloeien maar nog geen blad aan de boom.

- Alle bussen staan scheef, zijn naar rechts doorgezakt.

- De temperatuur overdag is bijna continu 10 graden, ’s nachts is het soms berekoud als het opklaart.

- Zwerfvuil, zwerfvuil, zwerfvuil. Ongelooflijk wat een bende. Echt een probleem, landen die hun vuilophaalsysteem nog helemaal niet op orde hebben (Geert, werk aan de winkel!) en wel veel welvaartsafval (plastic, wegwerpluiers) in grote hoeveelheden produceren maar niets beters weten te doen dan het ergens in de natuur te dumpen. Je kunt je voorstellen dat als je hier opgroeit het volkomen normaal is al je afval gewoon uit je auto te gooien als het jou uitkomt.

- Bij de entree van elk dorp en elke stad een grote erg Sovjet-achtige betonnen kolos met de naam van dorp of stad.

- Nog altijd heel veel standbeelden van Lenin.

- Prachtige kerkjes met kobaltblauwe daken, witte muren en gouden (zo ziet het er althans uit) koepels. Hier wordt ongelooflijk veel zorg, aandacht en geld aan gegeven.

- Bij de grotere steden de kenmerkende, trieste in verschrikkelijke staat van verval verkerende woonflats uit de Sovjet tijd.

- De zwerfhonden zijn meestal klein en zien er in redelijk conditie uit, de enkele broodmagere daargelaten. Ze lijken best lief, maar we proberen het niet uit.

- Veel politie langs de wegen, iedereen seint elkaar voor controles. Het moet een frustrerende bezigheid zijn voor de agenten, want na de eerste sukkel die langskomt moet het vrijwel onmogelijk zijn nog mensen te betrappen op snelheidsovertredingen.

- Akkers zo groot dat je het einde haast niet ziet. En geen boerderijen! Ze zullen er vast zijn, boeren zien we wel. We vragen ons af hoe het tegenwoordig geregeld is en of misschien nog steeds niemand echt zelfstandig boer is maar gewoon in loondienst van ...?

- In de zomer moet de route veel mooier zijn, op veel van de akkers worden zonnebloemen geteeld, wat een fantastisch gezicht moet dit zijn in augustus.

- Verder is er landschappelijk erg weinig variatie, in ieder geval niet in het deel waar wij doorheen trekken. Buiten de dorpen en steden vrijwel uitsluitend landbouwgrond. Om te proberen nog een beetje variatie mee te pakken, slaan we op een goed moment naar het zuiden af omdat onze kaart daar een groen lijntje langs de weg belooft (scenic!). Geen idee wat het lijntje daar doet, het ziet er exact hetzelfde uit als de rest van de route.

- Het is een prima land om wild te kamperen. Geen enkele avond hoeven we lang te zoeken om een prima plek te vinden. Nergens worden we gestoord en niemand trekt zich ook maar iets van je aan.

- Als je met mensen in contact komt, zijn ze enorm behulpzaam, zeker als ze drie woorden Engels spreken. Maar zo op het eerste gezicht zijn mensen behoorlijk gereserveerd en zij zullen niet gauw het eerste contact leggen.

- Oekraïense (jonge) vrouwen houden enorm van superhoge hakken, korte rokken een veel, heel veel make-up. De jongens en mannen daarentegen lopen erbij in shabby kleding of trainingsbroek.

 
En tenslotte de ijzeren wet van leven in een camper met twee honden: vroeg of laat valt alles een keer in de drinkbak.
 
 
Maandag 18 april
Het is tegen vier uur ’s middags als we de Russische grens naderen. Misschien ietwat laat, maar ook te vroeg om nu nog een bivakplek te zoeken om morgenochtend vroeg de grens te tackelen. We besluiten dus het maar te doen en dan niet ver van de andere kant van de grens een kampeerplek op te zoeken. We steken de grens over helemaal in het zuiden van de Oekraïne bij Novoazovs’k. De uitreisfaciliteiten zijn simpel en snel. Wel ook weer vragen naar deel 1 en 2 van het kenteken, maar ze maken er verder geen probleem van. Op naar de Russische beambten. Eerst een formulier invullen, in tweevoud (een voor binnenkomst en een voor vertrek). Deze is simpel, want naast het Russisch staat er keurig een Engelse vertaling bij. Paspoorten check, visum check, alles in orde. Even in de auto kijken, alle deuren open, een enkel kastje open, maar zeker geen grondige doorzoeking. In Duco en Syma zijn ze helemaal niet geïnteresseerd, ze vinden ze mooi, maar paspoort of gezondheidsverklaring wordt niet naar gevraagd. Das lekker. Volgende kantoortje, een papier invullen wat, blijkt later, iets te maken heeft met de auto. Het invullen is wel een probleem want dit is enkel en alleen in het Russisch gesteld, en al hebben we geprobeerd om op de Russische les iets op te steken, dit gaat onze kennis duidelijk te boven. Na enig soebatten zegt een van de officials dat hij het wel invult. Ga maar in de auto zitten en wacht. Ook hier wordt gevraagd naar deel 1 en 2 van het kentekenbewijs. Inmiddels heeft Emiel’s broer Onno het voor ons ingescand en gemaild. We hebben wel de mail kunnen ophalen maar niets kunnen printen, bovendien is dat natuurlijk nog steeds niet het officiële document. Het kost heel wat overtuigen en herhalen, uiteindelijk de laptop erbij, kijk hier is het, maar het papier ligt thuis.. We hebben waarschijnlijk geluk dat het inmiddels tegen 6 uur (7 uur Russische tijd blijkt later) loopt en de mensen naar huis willen. De dame die inmiddels de behandeling van ons lastige geval in de schoenen geschoven heeft gekregen zucht nog maar eens en zet uiteindelijk een stempel. Om daarna Emiel een briefje onder de neus te houden dat deze dienst hem $ 10 kost. Euro’s zijn ook goed.... Tegen onze principes in, betalen we. We hebben weinig keus en eerlijk gezegd zijn we dolblij dat we voor 10 euro het probleem kunnen afkopen. Maar het wordt duidelijk dat we iets anders moeten gaan (laten) organiseren, want we moeten nog meerdere keren de grens over en de kans dat het een keer niet lukt lijkt ons niet onwaarschijnlijk. En dan mag de auto netjes blijven staan in niemandsland totdat wij de papieren kunnen produceren. 
 
Het is dus 18.00 uur als we uiteindelijk Rusland inrijden. En gelijk dus de klok en uur vooruit mag. Hoogste tijd voor een bivakplek dus, maar eerst een paar kilometers van de grens rijden. Een half uurtje later draaien we de weg af en vinden een prachtige plek tussen uitgestrekte weilanden voor onze eerste nacht in Rusland.
 
Dinsdag 19 april
Contact met het thuisfront om af te spreken hoe we kunnen zorgen dat onze autopapieren bij ons komen voordat we de volgende grens overgaan. Met DHL naar Volgograd, de grootste stad die op onze route richting grens met Kazakhstan ligt lijkt het beste en snelste te regelen. Onno en Anita zoeken alles voor ons uit en regelen dat het hopelijk vrijdag in het DHL kantoor in Volgograd kunnen ophalen. Dat is snel, maar minder snel dan we van plan waren in Volgograd te zijn. Noodgedwongen in een lagere versnelling dus. Dat is niet erg, maar de tijd gaat af van de tijd die we in Kazakhstan kunnen doorbrengen. De berichten die we lezen over mogelijkheden het visum te verlengen zijn niet echt hoopgevend. Andere complicerende factor is, dat we nu langer dan 72 uur in Rusland zijn, wat inhoudt dat je je moet registeren. Een raar bureaucratisch overblijfsel. Maar eerst genieten we van een prachtige ochtend op onze bivakplek, we maken een heerlijke wandeling en genieten van de rust. Ook even een schoonmaakbeurt voor de auto. Dan op naar Rostov-Na–Donu, de eerste grotere stad op de route om te zien of we daar kunnen uitvinden hoe en waar we ons kunnen registeren. Normaal gesproken doet een hotel dat voor je, maar aangezien wij niet in een hotel slapen, en ook niets huren van iemand, moeten we proberen het zelf te regelen. Onderweg worden we bij het eerste het beste politiecheckpoint aangehouden. Papieren laten zien, Emiel moet mee een kantoortje in. Blijkt dat we het licht niet aanhadden, en in Rusland ben je verplicht met licht aan te rijden, ongeacht weer of tijdstip. De agent wil eerst nog Emiel’s paspoort achterhouden en vindt dat we maar naar de eerste de beste bank moeten om geld te halen om de boete te betalen, aan hem persoonlijk wel te verstaan. Hoe die het altijd weer doet weet ik niet, maar het lukt Emiel toch weer om de boete te omzeilen en met een ferme handdruk en in bezit van alle papieren afscheid te nemen. Lichten aan dus!
In de stad eerst op zoek naar bank en internet. Dat lukt, maar ook via internet worden we niet echt wijzer hoe we ons nu moeten registreren. Een behulpzame jongen achter de kassa in het internetcafe die prima Engels spreekt zoekt voor ons het adres op waar de dienst zit die dit zou moeten doen. Op loopafstand waar we nu zijn, dat is mooi. Maar dat is ook het enige wat meevalt. Een uitermate ongeïnteresseerde official die helemaal geen zin heeft in twee toeristen die geen Russisch spreken behalve wat algemeenheden. Hij geeft ons een briefje met een adres dat we het daar maar moeten proberen. Dat is een heel stuk verder, en we hebben er geen zin meer in vandaag. We hebben nog even de tijd, straks wellicht in Volgograd meer geluk. Misschien dat we proberen daar een nacht een hotel te vinden waar we met honden naar binnen mogen (geen idee of dat gaat lukken), dan kan het hotel het voor ons regelen. Het is wel grappig om met Duco en Syma door de stad te lopen. Je ziet wel heel af en toe mensen met een hond aan de lijn, maar het is behoorlijk zeldzaam. Twee van die beesten, en nog wel met twee buitenlanders (een vrouw zonder naaldhakken is hier echt een uitzondering, in je bergschoenen kun je dus nooit een Russische zijn, zeker niet in de stad!) trekt aardig wat bekijkt. Veel positieve geluiden maar ook meewarige blikken. We banen ons een weg de stad uit en rijden een stuk het achterland in. Via wat b-weggetjes willen we donderdagmiddag in Volgograd arriveren.
 
 
Woensdag 20 april
Na een goede nacht alweer op een prima plek is het weer omgeslagen. Gisteren was het warm, zo’n 20 graden. Nu is het zwaarbewolkt en staat er een kille wind. Diep in de jas weggedoken maken we een prettige wandeling en zijn we al weer redelijk vroeg op pad. Sinds een hele diepe kuil in de weg in de Oekraïne maakt een van de veren linksachter een irritant geluid (de binnen en buitenveer schuren langs elkaar heen). Het kan op zich niet zoveel kwaad, maar we willen eigenlijk best graag van het gepiep en geknars af. Op een stil stukje asfaltweg (we hebben een harde ondergrond nodig) krikt Emiel de auto op en draait de binnenveer een slag. Hopelijk helpt het! Niet gelijk, blijkt als we wegrijden al lijkt het beter te gaan. Maar weer even aanzien.
We rijden weinig vandaag en stoppen bij het Tsimlyanskoe meer, waar we een prachtig uitzicht hebben. Helaas is het te koud om lang buiten te zitten, maar ook door de raampjes van de camper genieten we. 
We hebben een heerlijk rustige middag met wat schrijven, lezen, kijken naar de vissers. Zo tegen 6 uur komt een visser langs voor een praatje en laat een visje voor de honden achter, die echter hun neus ophalen voor een lekker vers visje. Ondankbare honden! Ook als we aan het eten zitten komen twee vissers nog even polshoogte nemen wie de lui in die auto zijn. Het is jammer dat we weinig met elkaar kunnen wisselen maar het is toch een geanimeerd bezoek, waarbij de aangeboden wodka natuurlijk niet wordt afgeslagen.
 
Morgen weer de stad in en dan zien of het lukt met hotel en/of registratie. 
 
Donderdag 21 april
Midden in de nacht worden we wakker van een sms die binnenkomt van DHL. Ons pakketje is opgehouden voor een of andere douanecheck. Niet echt bemoedigend, morgen maar proberen of we kunnen uitvinden wat dit nu weer betekent. Het verstoort wel behoorlijk de slaap. ’s Morgens toch vroeg wakker en de boel ingepakt en rond een uur of 9 vertrokken richting Volgograd. We hopen nog steeds, eigenlijk al tegen beter weten in, dat we morgen toch nog onze papieren kunnen ophalen en dan snel door richting Kazachstan. 
Als we zo’n 70 km gereden hebben (gelukkig over goede weg) bedenkt Emiel ineens dat we de levellers hebben vergeten waarmee we de auto rechtzetten, Gewoon twee simpele wiggen van geel hard plastic maar zie ze maar weer eens te vinden hier. We draaien om..
Na een uurtje terug op de plek waar we vandaar kwamen, blijken ze verdwenen. Dat is balen, ook nog eens 140 km voor niets! Toch maar even kijken bij de vissers of die het misschien hebben meegenomen. En inderdaad zien we ze daar bij hun onderkomen liggen. Ze hebben er keurig een brommer op geparkeerd. Een van de vissers die we gisteren hebben gesproken heeft ons inmiddels gespot en komt naar ons toe en loopt mee om ze terug te halen. Er worden nog foto’s gemaakt van de auto, van ons, en wij maken foto’s van elkaar op de reuze ingenieuze driewieler motor die ze gebouwd hebben om het water mee in te rijden. Ook schrijven ze nog wat op ons ‘schoolbord’ en krijgen we het telefoonnummer voor als we op de terugweg zijn want dan moeten we zeker weer langs komen. Uitleggen dat we niet via deze route teruggaan heeft geen effect, dus dat laten we maar zo. Zo heeft deze gebeurtenis toch ook weer een leuk einde en voor de tweede keer vertrekken we naar Volgograd.
 
Zo rond 16.00 uur rijden we de stad in, en krijgen berichten uit Nederland over de status van ons pakketje, Onno zit er hard achteraan. Op zoek naar hotel. Zonder plattegrond van een stad is een adres natuurlijk leuk, maar veel heb je er niet aan. Het is al niet makkelijk om het centrum te vinden, het is een enorm langgerekte stad. In de rij voor het stoplicht contact met een automobilist om snel wat aanwijzingen te krijgen. ‘Rechtdoor nog een eind, dan links’. Als hij zijn passagier ergens heeft afgezet, komt hij ons snel achterop, haalt in en signaleert dat we hem moeten volgen. Hij brengt ons keurig naar het hotel Intourist en neemt met een grote zwaai afscheid. Sommige mensen zijn gewoon ontzettend aardig.
Het hotel heeft ruimte (meer dan ze willen toegeven lijkt het ons later) en de honden zijn geen probleem. We nemen dus onze intrek in kamer 519 en horen al gauw dat we nog een paar nachtjes extra mogen doorbrengen in Volgograd. Als we geluk hebben, is het pakketje er maandag...
 
 
Dat is balen, maar het is niet anders. Volgograd staat vast niet bovenaan de lijstjes van stedentrips, maar nu krijgen we dan de kans om te ontdekken of dat terecht is. De stad staat eerst en vooral in het teken van de verschrikkelijke slag die hier in de tweede wereldoorlog is geleverd en naar schatting aan meer dan een miljoen Russen het leven heeft gekost en wordt gezien als het begin van het einde voor de Duitsers. In de omgeving is erg weinig te beleven, dus we gaan ons een lang weekend hier vermaken. Gelukkig blijkt het centrum erg groen met overal kleine parkjes, dat is toch wel handig als je met twee honden zit en is het erg zonnig weer, al is het nog steeds behoorlijk fris. Duco en Syma gedragen zich keurig, ze lijken best te kunnen wennen aan het hotelleven.
 


Kazachstan

Groot, leeg, stoffig, mooi en vriendelijk Kazachstan

22 april – 4 mei: Volgograd, Krasny Yar (Rusland), Atyrau, Bayghunin, Aqtöbe, Aral, Duirmentobe, Shornak, Shymkent, Zhabaghly (Kazachstan).

22 – 24 april

Wachten op de post

 Daar zitten we dan in het hotel in Volgograd. Het is vrijdag en we moeten ons in ieder geval hier vermaken tot maandag, en dan hebben we nog geluk dat behalve Nederland bijna niemand er die rare gewoonte van 2e paasdag op na houdt. Complicerende factor is dat we met Duco en Syma niet overal zomaar naar binnen mogen. Zo is het museum, een van de weinige bezienswaardigheden in de stad, off limits en ook een aantal restaurants en cafés ziet ons liever gaan dan komen. Gelukkig zijn ze niet allemaal zo en we hebben in ieder geval een leuke avond in het Japanse restaurant, waar de hele keukenbrigade uitrukt om dit unieke fenomeen van twee buitenlanders met twee honden te aanschouwen. Ook bij de (overigens prima) Italiaan mogen ze mee. In het hotel zijn ze ook populair, en ik moet zeggen, ze gedragen zich werkelijk voorbeeldig. Geen geblaf of gepiep. Wel lekker op bed slapen, wat thuis nooit mag!

De stad zelf is helemaal geen foute plek om een paar dagen te zijn. Het is ruim, schoon en groen (of althans, in de zomer zal het groen zijn). Overal is men ook druk bezig om de stad klaar te maken voor het zomerseizoen. De terrasjes worden opgebouwd, bomen en struiken gepland, borders aangeharkt. Wat ons wel opvalt is dat in alle parken en parkjes al vanaf vroeg in de middag de bankjes bezet worden door mensen met flessen bier of andere alcoholica. En heel vaak nog jonge mensen, echt niet de standaard zwerver. In het weekend is het helemaal feest. Alles wat jong is stroomt de straat op, bezet ieder bankje in het park en zuipt zich te pletter. Hoeveel mensen je ziet die echt volkomen stomdronken zijn is met geen pen te beschrijven. ’s Morgens in alle vroegte rukken de schoonmaakploegen uit om de stille getuigen van een nacht totale dronkenschap uit te wissen en ziet het er weer uit als een plaatje.



Vlakbij ons hotel is het monument voor de onbekende soldaat waar iedere dag wacht wordt gehouden. De wisseling van de wacht is heel vaak, het lijkt wel om het kwartier. Ook een leuk schouwspel om een verloren uurtje mee door te brengen.


We maken wel een interessante trip naar ‘Moedertje Rusland’, een indrukwekkend standbeeld en monument op een van de heuvels om de stad waar 4 maanden lang de slag om Volgograd heeft gewoed. Als je in het indrukwekkende monument met de namen van weet ik hoeveel duizenden gesneuvelde soldaten staat lopen de rillingen je over de rug. Wat is oorlog toch een absolute waanzin.

Ondertussen proberen we hoogte te krijgen van hoe het nu staat met ons pakketje. Op vrijdag zien we op de website van DHL dat het in ieder geval door de Nederlandse douane is vrij gegeven en richting Moskou is vertrokken. Dan zien we dat het in Moskou is aangekomen maar dat het ‘on hold’ staat en dat DHL er werk van maakt. Zaterdag is er nog steeds geen ander bericht en beginnen we ons lichtelijk zorgen te maken. We besluiten er een telefoontje aan te wagen wat dat werk wat DHL zal doen nu eigenlijk inhoudt. Dat levert vooral veel frustratie en ergernis op. Op z’n vroegst dinsdag kunnen ze in Nederland wat voor ons doen. ‘Probeert u anders zelf met DHL Rusland te bellen’. Dat het pakketje bij DHL Nederland is aangeboden en zij toch ook zouden moeten kunnen zien of er iets aan de hand is, nee hoor, zoek het lekker zelf maar uit. We bellen dus met DHL Rusland die ons weten te vertellen dat het ‘on hold’ is gewoon omdat het weekend is, en ze nu niet werken, maar dat het zondag naar Volgograd vliegt en het maandag echt op het plaatselijk kantoor af te halen is. Wij begrijpen niet hoe het kan dat ze ons dit in Nederland niet kunnen vertellen. Het is toch @#! een internationaal bedrijf?! Ietwat gerustgesteld zijn we wel, maar vooral maandagochtend voelen we het alle twee in onze buik, het zal toch wel... We vinden het zo jammer dat de tijd in Kazakhstan zo opgesoupeerd wordt. We zijn dan ook dolgelukkig en helemaal opgelucht als we maandag om 10.30 uur de papieren eindelijk in ontvangst kunnen nemen.

Alles overziend kunnen we zeggen dat als je dan toch in Rusland moet wachten, Volgograd niet de slechtste plek is waar je kunt stranden. Wat ook prettig is, is dat je wel meer een gevoel krijgt voor de mensen en het land door een paar dagen op dezelfde plek te blijven. Je krijgt met een aantal mensen een beetje een band en zo kom je wat meer te weten over hun leven. Ook was de ontmoeting met een Russische dame die ons in het Engels aanspreekt erg leuk, de eerste die zelf contact zoekt. De honden fungeren keer op keer als ijsbreker en anders is de auto wel aanleiding tot een gesprekje. Iedereen vindt Duco en Syma en de Land Rover bjoetifoel.

25 april -26 april
Eindelijk is het maandagochtend en kunnen we ons pakketje ophalen. Het kantoor van DHL is makkelijk te vinden en ook de weg de stad uit richting Astrakhan gaat voorspoedig. Vol goede moed rijden we naar het zuiden. Het weer is nog steeds schitterend en we hebben het plan om vandaag tot vlak voor de grens te rijden om deze dan morgen over te gaan. Dit gaat geheel volgens plan. We schieten lekker op en vinden rond 18.00 uur een prachtige plek voor een bushcamp. Het slaapt heerlijk weer in de auto, min of meer in de frisse buitenlucht, zeker naar alle droge warme hotelkamerlucht. ’s Morgens als we op de ochtendwandeling zijn horen we in de verte ons autoalarm afgaan. We sprinten terug naar de auto, wat best heel ver is. Onze conditie laat duidelijk te wensen over... Geheel buiten adem arriveren we om gelukkig te constateren dat er niets aan de hand is. Geen mens te zien, al ontdekken we veel later dat de luifel/tent die op het dak geknoopt zit aan een kant los zit. Geen idee of iemand hier aan heeft geprobeerd te knoeien, maar waarom dan dit? Het kan ook gewoon los geraakt zijn door de takken waar we onderdoor/doorheen hebben gereden op weg naar deze mooie plek.

Het is nog maar een kilometer of wat naar de grens, en de hele procedure aan de Russische zijde is snel afgehandeld. Ze hebben geen interesse in onze autopapieren en zelfs niet in de formuliertjes die het hotel zo mooi voor ons geregeld heeft dat we ons geregistreerd hebben. Nou ja, dat na al die moeite...! De Kazakse officials zijn ook al zo aardig. Een van de officials spreekt redelijk Engels en helpt vooral Emiel het hele proces door. Ik moet namelijk apart de paspoortcontrole door en netjes aan de andere kant van de grens wachten totdat Emiel met de ‘machina’ de hele rataplan achter de rug heeft. En het is niet te geloven, maar ook hier interesseren de autopapieren ze geen ene moer!! Ook de honden zijn geen aanleiding voor vragen of papierwerk, heerlijk! De Kazakse grens/douanefaciliteiten zijn moderner dan we eerder gezien hebben. Ze hebben zelf een camera waar ze bij registratie een foto mee maken, dat kennen we alleen maar uit Amerika.
Als we denken dat we het hele circus gehad hebben en doorrijden, blijken we een stopbord over het hoofd te hebben gezien van de politie, hier is ook nog een controlepost. Natuurlijk is deze vreselijke overtreding reden om een boete uit te schrijven, tenzij we iets anders hebben, fluistert hij Emiel toe als zijn collega buiten gehoorafstand is. Emiel doet net of hij het totaal niet begrijpt en weet de man tenslotte met een bierviltje tevreden te stellen. We kunnen gaan, we zijn in Kazachstan!

Wat ons gelijk opvalt, is dat het hier veel schoner is. En de mensen zijn anders, ze ogen Aziatisch en zijn gemoedelijker, vriendelijker. Voor het eerst wordt er gereageerd op een opgestoken hand. Auto’s komen naast ons rijden en toeteren als begroeting. Kleine jongetjes rennen achter de auto aan en vinden de honden heel erg leuk, maar toch te eng om ze te aaien. We vinden het een verademing na de, zeker niet onaardige, maar wel afstandelijke, Russen.

We volgen nu een deel van de noordelijke tak van de zijderoute, en het duurt dan ook niet lang of we zien de eerste kamelen. Echte, met twee bulten. Het zijn imposante beesten. De meeste zijn bezig hun wintervacht te verruilen voor een zomerjasje, hele stukken kamelenbont hangen langs hun lijven. Syma vindt ze geweldig en kwispelt iedere keer als hij er weer een paar langs de weg weet te spotten. Sowieso heeft Syma een gedaantewisseling ondergaan de afgelopen dagen. Thuis doet ie niets liever dan slapen. In de auto is hij wakker en alert en neemt alles in zich op. Iedere koe, kameel, schaap, geit of paard wat hij ziet is aanleiding om opgewonden van het ene naar het andere raam te sprinten. Duco daarentegen kan het allemaal niet boeien. Hij is alleen maar geïnteresseerd als hij denkt dat we gaan stoppen en hij de auto uit mag. Verder ligt ‘ie te slapen als de weg niet te slecht is en zijn rust verstoord wordt. En hij heeft geluk, want de weg is in eerste instantie goed! En daar zijn we blij mee, want we moeten heel wat kilometers maken in dit enorme land. Kazachstan is qua grootte het 9e land ter wereld, ietsjes groter dan Sudan, en er wonen maar 15,4 miljoen mensen. Net zoveel als in Nederland dus, maar dan met een gemiddelde dichtheid van 6 per km2. Ik weet niet zo wat dit in Nederland is, maar zeker een zeer-veelvoud. We rijden door naar Atyrau, zo’n 300 km naar het oosten. Deze stad drijft op olie, wat in dit deel van het land veel gewonnen wordt. Je ziet dat er geld verdiend wordt, overal wordt gebouwd. Het landschap intussen is uitgestrekt en vlak. Het is duidelijk, we zijn beland op de steppes van Kazakhstan. We zijn te laat in de stad om hier nog de – ook hier weer verplichte – registratie te regelen. Gelukkig is het hier wel duidelijk waar je moet zijn en hoe je het moet doen. We hebben vijf dagen de tijd, dat doen we dus morgen wel in de volgende stad. Als we de stad uit zijn rijden we de weg af voor een bivakplek. Lang zoeken is niet nodig. Er is echt geen heuveltje of bosje om je achter te verschuilen. Gewoon een paar honderd meter de steppe op en daar stoppen we. De weg blijven we zien, maar deze is inmiddels rustig. We maken ons hier geen enkele zorgen, en overigens ook geen illusie dat we onzichtbaar zouden kunnen zijn als we dat al zouden willen. De sterrenhemel later die avond is adembenemend. De steppe lijkt vanaf de weg enkel zand met wat dorre lage struikjes. Van dichterbij bekeken zijn er ook kleine bloemetjes en het ruikt heerlijk kruidig. We voelen ons heerlijk gelukkig die avond; onze eerste nacht in eindeloos Kazachstan. 


27 – 28 april


Gisteren bij aankomst in Kazachstan leek het alsof we nog steeds in dezelfde tijdzone bleven, maar nu blijkt dat de klok weer een uurtje verder is. Om half zeven zijn we wakker en denken dat we nog heel erg vroeg zijn. Maar als de telefoon aangeeft dat het echt al half acht is, vinden we het toch een mooie tijd om op te staan. De ochtendwandeling is heerlijk maar raar, je hebt geen doel om je op te richten en loopt gewoon maar een eind het niets in.
Rond half 10 vertrekken we richting Maqat, de eerstvolgende iets grotere plaats op de kaart. Dat gaat de eerste kleine 100 km prima. Een kilometer of 10 voor de stad wordt de weg in een keer veel slechter. We hopen maar dat dit een tijdelijk verschijnsel is. We rijden wat rond in de stad om de migratie-politie op te sporen. De zoektocht brengt ons door een kleiner woonstraatje wat geheel uit opgedroogde modder (zoals bijna alles op de hoofdstraat na) bestaat. Als we niet verder kunnen en achteruit rijden belanden we ineens met ons rechterachterwiel in een hele diepe modderige kuil, het wiel is bijna verdwenen en de auto helt gevaarlijk over. Ik kan nog maar net de deur openkrijgen om de situatie op te nemen. Shit, dit is niet goed! Gelukkig hebben we op het laatste moment in Nederland toch nog besloten door PSP een lierbumper en lier te laten monteren. Op onze vorige reis hebben we ‘m eigenlijk alleen maar gebruikt om andere mensen uit de problemen te lieren. Nu zijn we dan zelf aan de beurt. Er staan telefoon- of elektriciteitspalen in de straat en met behulp van het snatchblock en telefoonpaal lieren we ons de kuil weer uit, waarbij onze grootste zorg is of de telefoonpaal het houdt. Dat doet ‘ie! Grappig is dat mensen hier echt totaal niet nieuwsgierig zijn. Er komt eens iemand langs en kijkt wat we aan het doen zijn, maar als het er naar uitziet dat we het wel redden, vinden ze het wel best en lopen verder. Ergens in Afrika had je ongetwijfeld gelijk een groot publiek gehad. De politie vinden we uiteindelijk ook nog, maar die vinden dat ze ons niet kunnen registreren omdat ze te klein zijn en wij door het hele land willen reizen. We moeten het doen in Aqtobe, zo’n 400 km verderop. Geen probleem, daar moeten we toch langs en ach, dat halen we vandaag nog wel, en we hebben sowieso nog tijd.

Waar is toch in vredesnaam die weg gebleven?

Na drie keer een rondje door de stad gemaakt te hebben op zoek naar de weg naar Aqtobe snappen we het echt niet meer. Waar is die weg?!? Bij een of ander bedrijf vragen we het de portier die wakker schrikt als ik voor z’n raampje sta. Als ‘ie weer bij zinnen is begint hij te wijzen maar loopt dan naar buiten en stapt resoluut in de auto om ons op het goede spoor te zetten. Ik klim maar even bij de honden achter in. En ik moet zeggen, zonder hem hadden we het niet gevonden. Er is namelijk geen weg. Er is alleen een hele trits aan sporen door het zand ergens tussen de spoorlijn en de gasleiding. En het is niet vlak... het is duidelijk dat als het hier regent, het enorm modderig moet zijn want de diepe sporen waar de vrachtauto’s ingezakt zijn maken het een soort achtbaan. ‘Zorg dat je de spoorlijn en de gasleiding blijft volgen, dan kom je vanzelf in Aqtobe’ en weg is hij weer. Waren we vanochtend nog op weg gegaan met het idee dat we vandaag kilometers wilde maken, nu denken we nog maar een ding, hoe komen we überhaupt in de volgende plaats met de auto intact. Het verkeer heeft ook vrijwel opgehouden te bestaan.


Zo goed en kwaad als het kan zoeken we een weg. We hebben geen alternatief tenzij we terug willen rijden naar Altyrau en daar een weg naar het noorden pakken. Veel kilometers terug en veel kilometers om, en geen enkele garantie dat die weg wel goed is. Off roaden is natuurlijk hartstikke leuk, en de auto is er natuurlijk ook prima geschikt voor. Maar 500 kilometer off roaden terwijl je denkt dat je dit in een dag kunt doen (en nog steeds tikken de dagen van ons visum door), dat is minder geslaagd. We kijken elkaar maar eens aan en besluiten dat dit allemaal onderdeel is van het avontuur en leggen ons erbij neer dat dit nu is zoals het is. De hele middag ploeteren we door. Op enig moment vinden we de weg, of althans, we vinden het zandlichaam met verbrokkeld asfalt wat ooit een weg is geweest. Het is goed om ‘m als richtinggevend in het oog te houden, maar het is zeker niet goed om te proberen er op te rijden, dat is echt onmogelijk. Dat vinden de andere – zeer schaarse – weggebruikers ook en iedereen zoekt zijn weg door de steppe, soms met wel 50 km per uur, soms stapvoets.
De steppe hebben een eigen schoonheid, de uitgestrektheid en de totale leegte met daarboven een strakblauwe hemel. De temperatuur is een heel aangename 20-22 graden en we worden verrast door de prachtige wilde tulpen die volop in bloei staan. Hele velden kleuren rood en geel. We hadden verwacht deze pas veel verderop in het zuiden te zien. Of we dat bloeiseizoen nog gaan halen is maar de vraag, maar dit hebben we toch maar vast mooi binnen! De bivak aan het begin van de avond als de schaduwen te verraderlijk worden om de kuilen en gaten in de weg goed te kunnen zien is weer snel gevonden; gewoon 400 meter van het spoor afrijden. Ook in het donker zien we toch nog vrachtauto’s doorploegen, we zijn blij dat wij aan onze warme maaltijd (witte kool met kerrie, paprika en rijst) zitten.

De volgende ochtend maken we ons op voor nog een dag off-roaden richting Abtobe. We zijn dan ook blij verrast als de weg na een kilometer of 30 er in een keer anders uitziet. Toch maar weer eens proberen of het gaat. En het gaat. Niet geweldig, maar grote delen zijn zo betrouwbaar dat we toch 70 en soms wel 80 halen! Bij een van de dorpen onderweg stoppen we omdat we ineens aan de kant van de weg een waterkraan zien, waar een aantal dorpelingen jerrycans vullen. Wij zijn al een paar dagen op zoek naar water om de tank te vullen die aardig leeg begint te raken. Nergens bij tankstations of zo is er water verkrijgbaar. Het is moeilijker te vinden dan diesel! Met behulp van een van de aardige bewoners die zijn jerrycans ter beschikking stelt, en zelfs helpt vullen, is de tank binnen de kortste keren vol.

Sneller dan we hadden durven hopen toen we vanochtend vertrokken, komen we in Abtobe aan. Wat we willen doen is nog een keer flink boodschappen en de registratie regelen. Al snel komen we bij een super de luxe shopping mal uit, echt zo mooi, dat is in Nederland nog nergens. Er is zelfs een kunstijsbaan! Terug op de parkeerplaats worden we aangesproken door een jongen die ons enorm helpt door ons voor te gaan naar het politiebureau. Dat hadden we zelf nooit zo snel kunnen vinden. De formaliteiten duren wel even, zoals dat nu eenmaal gaat met formaliteiten, maar dan hebben we ook ons stempeltje. We zijn helemaal tevreden, watertank vol, auto vol met boodschappen, koelkast vol met wijn, yoghurt, groente, vlees en sinaasappelsap, wat wil een mens nog meer! De middag is inmiddels wel voorbij en de honden hebben veel geduld moeten hebben vandaag. Niet ver van Aktobe vinden we een supermooie plek voor een bushcamp en krijgen Duco en Syma eindelijk tijd en aandacht (en eten!). Wel even nog met twee herders een praatje en een glaasje wodka delen. Zo tegen zessen zitten we voor de auto in de zon te genieten van de rust, de prachtige omgeving en een glas wijn. Hier doe je het nu allemaal voor, dit geweldige gevoel van vrijheid.

29 – 30 april
Ons volgende doel is het Aral meer. Dit meer is (waarschijnlijk bij iedereen wel bekend) in de jaren 60 van de vorige eeuw in een heel rap tempo geslonken door het lumineuze plan van de Sovjet engineers om het water van de rivieren die het meer voedden om te leiden en te gebruiken om de kurkdroge binnenlanden te irrigeren om katoen te produceren. Dit had niet alleen desastreuze gevolgen voor het meer, flora & fauna en natuurlijk de bewoners die leefden van de visserij, het was ook nog eens een volslagen mislukking omdat het water in de open irrigatiekanalen al lang en breed verdampt was voordat het de beoogde katoenplantages wist te bereiken. Op enig moment was de kust van het Aral meer 100 km van Aral verwijderd. Inmiddels is het meer weer wat aan het groeien door een dam die ze in 2005 in het noorden hebben gebouwd maar de haven van Aral heeft het nog niet weer bereikt. De beelden van de schepen in de droge haven zijn genoegzaam bekend. We rijden in een dag richting Aral, overnachten weer ergens tussen de weg en het meer en willen de volgende dag de schepen wel eens zelf bekijken.


Nog net op tijd komen we erachter dat de kaart dit fenomeen op een heel andere plek situeert dan onze Bradt reisgids. Bradt heeft gelijk, maar de weg er heen is zo ongelofelijk beroerd (voor de kenners, wasbord en niet zo’n beetje ook) en geen mogelijkheid om er langs te gaan dat we na een uur elkaar maar eens diep in de ogen kijken of we dit 3 uur heen en 3 uur terug willen doen om een paar scheepswrakken te zien. Het antwoord is uiteindelijk nee, en we draaien om. We vinden het beiden jammer want dit is wel een van de sights van Kazachstan die we wel graag hadden willen meemaken maar niet ten koste van alles. Onze ervaring om de weg tussen Isiolo en Marsabit in Kenia komt naar boven, hier hebben we toen alle schokbrekers gesloopt en is alles losgetrild wat ooit vast zat. Later blijkt dat ook dit kleine stukje al een effect heeft gehad als Emiel tijdens de lunchpauze een dag later heel wat schroeven moet aandraaien. We zetten dus koers naar het zuidoosten, nog steeds de zijderoute volgend richting Shymkent, Taraz en uiteindelijk Almaty.

1 – 4 mei
Zoals al eerder genoemd is Kazachstan groot en leeg. Dat besef dringt de volgende twee dagen nog wat dieper door. We volgen de M32, 2000 kilometer lang. En heel deze M32 is ‘under construction’, naar we later horen weer door de vermaledijde Chinezen. Die doen werkelijk niets anders dan heel de wereld asfalteren in ruil voor mineralen, olie, land etc. etc. Maar, eerlijk is eerlijk, hier wordt het zeer grondig aangepakt. We zijn onder de indruk van de enormiteit van de klus, ze zijn op heel veel plekken tegelijk bezig, in alle stadia. Van wegfrezen van het oude asfalt, inmeten, zand opbrengen, puin opbrengen, asfalteren, deklaag aanbrengen. Wat een planning moet hier achter zitten In 2013 moet het klaar zijn. Dan zoef je in twee dagen de hele M32 af. Wij zoeven wat minder, want al die werkzaamheden betekenen natuurlijk dat we vaak van de weg af moeten, via ‘by-passes’ die vaak gravel zijn of delen van de oude weg. En het is stoffig! Ongelooflijk. Er staat een harde wind en de temperatuur loopt op, de tweede dag gaat het richting 36. De honden hebben het warm maar we weten het redelijk koel te houden door de ventilator. We proberen met wind en stof rekening te houden door ramen open en dicht te draaien. Maar uiteindelijk komt het stof overal. Alle twee krijgen we er een wollig verstopt hoofd van, Emiel nog wat erger en hij ontwikkelt zelfs een lichte oorontsteking. Tijd om de antibioticavoorraad aan te spreken want oorpijn is niet fijn! Heel langzaam worden de stukken weg waar we wel door kunnen rijden wat langer.

Onderweg is er af en toe ook een bezienswaardigheid. Waren we eerder niet ver van Aktöbe verrast door een soort van monument voor de stichter van Türkistan, waar een hele buslading schoolkinderen ons een grotere attractie vond dan het monument zelf (ons schoolbord heeft een onweerstaanbare aantrekkingskracht), nu maken we een gepland uitstapje in Türkistan. Hier is het werkelijk schitterende Mausoleum voor Khodja Ahmed Yassaui, prachtige mozaïeken, een turquoise koepel en houtsnijwerk in de deuren. Het stamt uit de 11 of 12 eeuw, is in de Sovjet tijd voor een deel vernield (religie is immers opium voor het volk en dus ongewenst) en sinds 1989 weer gerestaureerd. We krijgen een rondleiding door een gids die enig Engels spreekt. Het complex bestaat verder uit een museum en een ondergrondse moskee. Later die ochtend horen we van Onno dat de afgelopen nacht Bin Laden is gedood; de moslims hier zijn gelukkig niet radicaal en zijn niet onder de indruk, we horen of merken er niets van, nu niet en ook niet de volgende dagen. We zullen zien of dat zo blijft.



Na al die kilometers en dagen over de gortdroge en lege steppe zijn we blij als we eindelijk weer groen zien. Sporadisch is er af en toe een boom of een groen struikje. Soms lijkt het even de overhand te krijgen, maar al snel is het weer woest en ledig. Pas voorbij Shiemkent merken we dat er echt wat veranderd. En zien we in de verte de besneeuwde bergtoppen van de Qarzhantau Zhotasy bergketen. Hier ligt ook het Aksu-Zhabaghly Nature reserve wat ons eerstvolgende doel is. Voordat we dit bereiken hebben we nog een prachtige bivak in de uitlopers van de bergketen met zicht op de besneeuwde toppen. Helaas blijkt dat een hele tekenkolonie dit ook een mooie plek vindt. Als Emiel een stukje met de honden loopt krioelen ze bij terugkomst van de teken, gadver! We borstelen ze en proberen alles te verwijderen. Dat lukt voor het grootste gedeelte en de drie of vier de we de volgende ochtend nog vinden zijn dood of op sterven na, de tekenband heeft dus toch effect. De volgende ochtend breken we eerst op, dragen de honden van de achterkant naar de cabine en zoeken een andere plek voor de wandeling.

Het is vervolgens nog maar een klein stukje naar het natuur reservaat. We zoeken het hoofdkantoor op voor de permit en de verplichte gids.
Bureaucratie en toerisme gaan niet echt fijn samen, bovendien spreken maar weinig mensen genoeg Engels om echt toegevoegde waarde te hebben als gids. Wij mogen op stap met een jonge vrouw die reuze aardig is en erg haar best doet, maar behalve de standaard dingen die ze leren om over het park te vertellen weinig begrijpt van de vragen die we haar stellen. Maar desalniettemin hebben we een hele leuke, hetzij erg warme en vermoeiende, dag. We bezoeken een canyon, 1 km afdalen (dat gaat best) en 1 kilometer weer klimmen (oef!!), en dat alles bij ruim 30 graden. Onder in de canyon is een ijskoud riviertje wat de honden erg op prijs stellen. Duco probeert onderweg naar beneden onder ieder struikje of boompje te kruipen waar enige schaduw is. Na de zwempartij heeft ‘ie in een keer weer praatjes. Het is prachtig en we genieten enorm. Het is jammer dat het bloeiseizoen van de tulp, waar dit park bekend om staat, net is afgelopen. We prijzen ons gelukkig dat we dit fenomeen van rode en geel gekleurde velden een paar dagen eerder in de steppe ook al hebben gezien. Onder in de canyon is nog een gids, Svetlana, met een groepje toeristen. Ze spreekt ons aan, is erg geïnteresseerd in de honden (haar man, blijkt later, is een erg groot hondenliefhebber) en nodigt ons uit om vanavond bij haar thuis te kamperen in de tuin. Ze doen dat wel vaker. We maken graag gebruik van haar aanbod en onze gids brengt ons aan het einde van de middag keurig bij het huis. Er is een douche dus eindelijk weer eens haren wassen, dat voelt goed! Svetlana en haar man Vladimir zijn Russen, beiden bioloog en zo’n 20 jaar geleden vanuit Moskou hierheen verhuisd. Een heel ander leven! Biologen zijn niet erg gevraagd en om nog een beetje te verdienen gidst Svetlana en verhuurt ze wat kleine huisjes aan toeristen. Het is een prettig verblijf en Vladimir is reuze enthousiast. Alleen de nacht is wat minder want alle honden uit het dorp (en paarden en ezels) laten zich de hele nacht luidruchtig horen; wat een kakofonie! Dat iemand in dit dorp nog een oog dicht doet! De zoon en dochter des huizes slapen gewoon in de tuin, blijkbaar went het! Duco en Syma verdienen weer een medaille want op wat binnensmonds gewoef na van Duco vroeg in de nacht houden ze zich keurig rustig. Maar echt slapen doen we niet.


We besluiten ons zelf een dagje rust te gunnen in de heuvels. We rijden maar een paar kilometer vandaag, vinden een track de weg af naar de bergen en installeren ons op een grassige heuvel met uitzicht. Vandaag eens een dagje lekker lanterfanteren; een wasje doen, boekje lezen, wat vastschroeven, schrijven, luieren en uitrusten van al die kilometers en een slechte nacht. Heerlijk!

 

Het spoorboekje eindelijk uit!

5 – 17 mei: Zhabagaly, Ak Beyik, Kamenka, Targan, Shenggeldt, Sagabuyen, Ai, Balausovka, Ridder (Kazachstan), Zmeinogorsk, Barnaul, Manzherok (Rusland)


Zoals jullie inmiddels weten is onze tijd in Kazachstan ernstig beperkt door later vertrek en oponthoud eerder in Volgograd. Voor vertrek hadden we nog het idee het visum te kunnen verlengen maar wat we hier over lezen is weinig bemoedigend. We kunnen er voor kiezen om naar Astana te rijden (meer dan 1000 km in een richting waar we verder weinig te zoeken hebben, al zouden we de stad zelf best hebben willen zien), daar dan een of meer dagen rond te hangen om te proberen de immigratiedienst te overtuigen ons nog een maandje te gunnen - met een gerede kans dat het niet lukt - en we nog veel minder tijd overhouden. Of we gebruiken de tijd die we hebben om die plekken te zien die ons het meest interessant lijken. We kiezen voor het laatste. Dat heeft wel als gevolg dat we in korte tijd veel moeten rijden en we niet vaak wat langer ergens kunnen blijven. Inderdaad reizen we momenteel een beetje op een spoorboekje zoals Onno terecht constateerde. Onze troost is dat we straks in Mongolië, voor ons toch de bestemming waar we het meest naar uitgezien hebben, echt alle tijd kunnen nemen die we willen. Maar deze reis is hoe dan ook in alle opzichten echt totaal anders dan onze vorige trip. Dat betekent zeker niet dat we niet genieten en het geweldig vinden wat we allemaal zien, maar het voelt meer als een heel lange vakantie.

Wat het spoorboekje verder niet helemaal betrouwbaar maakt is dat het erg lastig is om in te schatten hoeveel tijd het gaat kosten om van A naar B te komen. De wegen zijn zo verschillend in kwaliteit; we hebben echt alles gehad van karrespoor tot gladde vierbaansnelweg, dat het nooit zeker is of je 100 of 700 km op een dag kunt overbruggen. En zo hebben we aan het eind van ons verblijf in Kazachstan in een keer een dag over, zeker als blijkt dat er nog een grensovergang is die ons veel sneller in Rusland brengt dan we ingecalculeerd hadden.

De Land Rover vreet alle kilometers geduldig op, weg of geen weg. Het eerdere probleem met de achterveer heeft zich opgelost. Een paar dagen later blijkt ’ie koelvloeistof te lekken, en het duurt een tijdje voordat Emiel er achter is wat de oorzaak is. Het blijkt dat de plaat onder de motorkap (versteviging om het gewicht van het reservewiel te kunnen dragen) op de afsluitdop van de thermostaat stuitert bij oneffen wegdek. Dit heeft de dop zodanig beschadigd dat er water door lekt. Gelukkig blijken we een reserve-exemplaar bij ons te hebben (Emiel heeft ’m eens ergens gekocht omdat hij het zo’n mooie vond!). Wat kleine aanpassingen aan de plaat zorgen ervoor dat het probleem zich niet weer kan gaan voordoen. Verder loopt ’ie werkelijk als een zonnetje. Wel zien we dat de achterbanden de vele kilometers al beginnen te voelen. Over niet al te lange tijd zal er wat gewisseld moeten gaan worden tussen voor- en achter- en/of reservebanden.



En weer hebben we de lier kunnen gebruiken! Ditmaal niet voor onszelf maar om een onfortuinlijke (of domme) Kazak uit de problemen te trekken. Op een achternamiddag op zoek naar een geschikte bivakplek stuiten we op twee mannen in een soort Lada die geprobeerd hebben een rivier te doorkruisen. Het is een rivier zoals je vaak in bergachtige gebieden ziet, vol met kiezels en grind, breed met verschillende stroomgeulen. Het heeft regelmatig geregend de afgelopen tijd en er staat wellicht wat meer water in dan gebruikelijk. De Lada heeft de oversteek niet gered en staat hopeloos vast in grind en water. Zijn medepassagier staat langs de kant te wuiven of we kunnen helpen. Dat kunnen we natuurlijk! Met de lier is het een fluitje van een cent en trekken we het lichte autootje zonder problemen weer op het droge; de enige zorg van Emiel is, vertelt hij later, dat hij bang was de bumper van de Lada te trekken. De mannen zijn ons eeuwig dankbaar en willen ons meenemen om ergens kamelenmelk te drinken. Dat aanbod slaan we toch maar af maar we nemen hartelijk afscheid. Als alles goed gegaan was, hadden jullie hieronder nu een filmpje kunnen zien van deze heldhaftige redding, maar helaas, verkeerde knopje ingedrukt!

Na de zeer warme dagen die we gehad hebben eerder op de steppe is het weer erg veranderlijk geworden. De temperatuur is behoorlijk gedaald, vaak schommelt het tussen de 10 en 15 graden. We hebben wel veel zon de meeste dagen en vaak een harde wind, die ’s avonds vaak gaat liggen. Uit de wind is de zon lekker en kunnen we nog best buiten zitten en eten maar vaak gaat de extra slaapzak ’s avonds mee naar boven. Het voordeel van de lagere temperaturen en de wind is dat we nog maar weinig last van muggen hebben. Dit zal de komende maanden vast nog wel veranderen maar vooralsnog zijn we redelijk ongeschonden. Ook met de teken valt het mee, behalve op de ene bivakplek waar we ze in bosjes van de honden moesten halen zijn we er geen meer tegen gekomen.

Na de Oekraïne en het eerste stukje Rusland, vinden we Kazachstan schoon en opgeruimd. Ook hier zie je af en toe wel ’illegale stortplaatsen’ maar je ziet in de grotere plaatsen vuilniswagens rijden en er zijn ommuurde legale storten. De borden langs de weg maken wel duidelijk dat de overheid in ieder geval een zekere poging doet om mensen op te voeden om hun afval niet overal maar te dumpen en je ziet soms ook langs de weg opruimploegen bezig. Ook zijn er afvalbakken bij bushokjes en zo.
Over borden langs de weg gesproken... we zijn wel heel erg blij dat we niet meer naar dat hoofd van Nazarbaev (de president van Kazachstan) hoeven te kijken. Dat die man nog tijd heeft om iets anders te doen dan te poseren voor weer een andere campagne om Kazachstan op te stoten in de vaart der volkeren is een wonder. Blijkbaar is er een soort ’20 jaren plan’, wat Kazachstan in 2030 het paradijs in gebracht moet hebben. We wensen de Kazakken natuurlijk niets minder toe, maar zijn toch bang dat het ook hen niet gaat lukken. De staat van de democratie laat in ieder geval nog ruimte voor verbetering. Ook de prioriteiten die gesteld worden lijken op z’n minst twijfelachtig. Ook hier weer zien we vele mensen met witkwast in de weer. De palen van verkeersborden, vangrails, alles moet geverfd. Als je dit ziet gebeuren, kuilen en gaten in het wegdek ontwijkend, vraag je je toch af of deze werkkracht niet op een betere manier benut kan worden. Overigens gebeurt hetzelfde ook in Rusland, al zijn de wegen daar tot nu toe duidelijk beter. Maar er is voldoende te doen wat meer zoden aan de dijk zou zetten (wat oude ongebruikte fabrieken slopen misschien??).



De huizen in de dorpjes hier lijken veel op de huisjes in de Oekraïne maar ook hier geldt dat het allemaal wat opgeruimder lijkt. Er is veel bedrijvigheid rondom huis, de meeste mensen hebben een groentetuintje en er wordt geploegd en gezaaid. Nu is het seizoen hier ook wat verder en is er al veel groen en bloeit er van alles, dat maakt natuurlijk ook dat het wat gezelliger oogt allemaal. Langs de kant van de weg worden appels, aardappels, eieren, tomaten, bieten, komkommers, wortel, uien en kool verkocht. En allerlei potjes met ingemaakt spul en in sommige regio’s heel veel honing. Erg lekkere honing kunnen we zeggen! Qua groente is het verder erg beperkt. Zelfs in de supermarkten is er weinig keuze en zijn we blij met een paprika. Een kropje sla hebben we al die weken nog nergens gezien. Over een maandje of zo als er wat op het land gaat groeien zal het vast wel anders zijn.



In veel regio’s zijn alle huizen aangesloten op het gasnet. De geel geverfde gaspijpen lopen boven de grond op zo’n 2 meter hoogte met boogjes waar een weg of doorgang is. Het is geen fraai gezicht, en hoe veilig het is vragen we ons ook af, vooral als je de staat van onderhoud wat beter in ogenschouw neemt. Het is natuurlijk wel begrijpelijk dat het lastig en heel duur is om alles onder de grond te werken (ook al gezien de weersomstandigheden). Hier in de Altai wordt duidelijk veel op hout gestookt (wat hier ook voldoende voorradig is). De beeldkwaliteit vaart er wel bij! Waterleiding is een ander verhaal. In de meeste dorpen zijn er 1 of meer kranen waar iedereen water haalt. Vonden we het eerst lastig om water te vinden, nu we eenmaal door hebben hoe dat hier werkt is het geen probleem meer.

De mensen zien er over het algemeen erg netjes en verzorgd uit. Je blijft je verbazen hoe die keurig opgemaakte, hooggehakte dames er in slagen er zo keurig uit te blijven zien als je kijkt naar huis en erf en de wegen. In de dorpen zelf is het heel vaak gewoon aangestampte klei, wat een enorme rommel moet geven in een natte periode. Als wij in de Russische Altai neerstrijken voor een paar dagen en de was doen en zien wat een roetzwart water er van broeken, fleeces en t-shirts afkomt van al het zand en stof van de afgelopen weken, dan is het des te knapper hoe het kan dat de mensen er vaak nog zo fris bij lopen!

In Kazachstan wordt Kazak gesproken. Dat lijkt wel wat op Russisch voor ons leken, maar is toch duidelijk anders. Natuurlijk spreken de meeste mensen ook Russisch en sommige een paar woorden Duits, en heel af en toe is er iemand die een paar worden Engels kan wisselen. Overigens lijkt tussen kunnen en willen een heel groot verschil want vaak blijkt iemand bij nader inzien toch echt wel wat te begrijpen of te kunnen zeggen. Maar om de een of andere reden is er een enorme schroom of weerzin om Engels te spreken. Het wordt ons niet duidelijk of ze zich schamen of dat ze vinden dat je maar moet zorgen dat je hun taal spreekt. We hebben natuurlijk erg ons best gedaan om een beetje Russisch te leren van te voren. Dat we het kunnen lezen is al een enorm voordeel, maar een gesprekje aangaan in het Russisch blijft voor ons echt heel lastig. En juist ook omdat er van de andere kant vaak weinig moeite wordt gedaan om je te helpen, de goede uitzonderingen natuurlijk niet te na gesproken. In een winkel als ze niet begrijpen wat je wilt, dan lijkt het wel of ze je gewoon niets willen verkopen. Er is een vreemd contrast tussen aan de ene kant deze afstandelijke houding van veel Russen en Kazakken en aan de andere kant een hartverwarmende gastvrijheid die we ook ontmoeten.



Zo is er ergens een herder die ons treft op onze bivakplek en er op staat dat we met hem meegaan om in zijn huis te slapen, want in de auto, dat kan toch echt niet. Wij weten hem uiteindelijk te overtuigen dat we niet zullen doodvriezen die nacht en dan laat hij het maar gaan, maar de volgende ochtend komt ’ie toch nog even polshoogte nemen om te kijken of het allemaal wel goed gekomen is. En op onze huidige plek in de Russische Altai in een soort ’centerparks avant la lettre’ dringen de aanwezige Russen (twee koppels) er op aan dat we vooral met hen moeten eten en drinken (dat laatste bleek later niet zo’n goed idee) en de sauna moeten delen die ze hebben gehuurd. We hebben een ontzettend leuke avond waar we ondanks de taalbarriere elkaar prima begrijpen (naarmate er meer wodka vloeit gaat dat altijd makkelijker). De Russische ’banya’ (sauna) is echt een belevenis. Temperatuur zo’n 120 (!) graden en dan moet je op de bank liggen, keurig met bikini of zwembroek allemaal hoor ;) en vervolgens ranselt men elkaar om de beurt af met een soort bezem van berkentwijgen. Hierdoor voelt het nog veel heter dan het al is. Net als je denkt dat je het niet gaat overleven gooit iemand een hele grote schaal ijskoud water over je heen. En dan mag je uitpuffen, liefst met een groot glas bier.... om vervolgens het hele ritueel nog een keer of wat te herhalen. Je wordt er in ieder geval wel schoon van! De volgende ochtend wordt het wel pijnlijk duidelijk dat drank meer kapot maakt dan je lief is... laten we het erbij houden dat er heel weinig productiefs uit onze handen gekomen is die dag.



We zitten nu dus voor vijf dagen op een vaste plek in een houten huisje op een soort vakantiepark, in het bos naast de rivier de Ob. We wilden na al het gehaast even pas op de plaats, was doen, wat rommelen aan de auto, verhaal schrijven. Het weer is niet geweldig, het is fris en twee avonden achtereen onweer. Geen prettig weer om een paar dagen op een bivakplek te staan, beter even iets met muren en een dak en stromend water voor de was. Het seizoen is duidelijk nog niet begonnen, behalve onze Russische vrienden die hier het weekend hebben doorgebracht, is er niemand. Dat is ergens wel saai, maar wel erg rustig. De huisjes staan hier dicht op elkaar en de meeste zijn niet meer dan een slaapkamertje. Het is duidelijk dat het leven zich hier buiten moet afspelen. En we zijn er van overtuigd dat de Russen dat kunnen, in combinatie met veel drank zal het hier ongetwijfeld iedere dag tot in de late uurtjes feest zijn.
Het tekent wel een beetje de tweestrijd die wij regelmatig voelen. Deze landen zijn echt ideaal voor wild kamperen, dat schreef ik al eerder. We staan op de ene nog mooiere plek dan de andere, met als absolute uitschieter een bergweggetje in de Kazakse Altai, op een kraakheldere zonnige dag met nog restjes sneeuw her en der en een werkelijk adembenemend uitzicht. We genieten enorm van de rust en de ruimte, maar we missen ook het contact met anderen. Op een enkele herder te paard of te brommer na, zie je geen mens als je je bivak hebt opgeslagen. Ook ontmoeten we niet of nauwelijks andere overlanders.



Tot nu toe hebben we welgeteld 1 paar reizigers getroffen, Willem en Harmen uit Friesland! Gewoon op de weg naar Almaty. Zij kwamen uit het oosten, wij uit het westen en beiden gingen we in de remmen om toch even kennis te maken. Willem en Haren shanghia-amsterdam2011.nl zijn heel bijzondere reizigers. Na de studie in Shanghai een Chinese motor met zijspan gekocht om deze (illegaal schijnt het, want je mag geen Chinese motor of auto exporteren) in drie maanden tijd van Shanghai naar Amsterdam te rijden. Dat is pas bikkelen! Soms kamperen, soms hotel, ongetwijfeld vaak uitgenodigd bij mensen thuis. Ik kan me zo voorstellen dat als je alleen een tentje bij je hebt, men vaak vindt dat dat toch echt niet kan! Zij zullen straks heel wat te vertellen hebben als ze Amsterdam gehaald hebben. Het verbaasde ons niet dat het Nederlanders waren, op de een of andere manier kom je die toch altijd weer tegen op de meest onverwachte plekken, reizend op de meest onverwachte manieren.

Wij zitten nu nog een dag of twee hier, en zullen dan langzaam richting Mongoolse grens vertrekken, zo’n 400 kilometer verder. Het valt vaak niet mee om ergens internet te vinden, vandaar dat de updates wat sporadischer zijn dan we zelf hadden gehoopt. We verwachten niet dat het in Mongolië heel veel anders is. Maar als er GSM bereik is, zullen we proberen regelmatiger een tweet te sturen.

Van de schitterende Altai naar.... de maan?!

18 – 21 mei, Manzherok, Elanda, Iodro (Rusland), Tsagaannuur (Mongolië)

Nu we eindelijk op een rustiger schema kunnen reizen, nemen we ook echt de tijd om ook de Russische Altai te beleven. Op onze een na laatste dag in ons houten hutje rijden we naar Gorno-Altasyk om te internetten, wat inkopen te doen en de omgeving nog wat verder te verkennen. We nemen ook even een kijkje aan de andere kant van de rivier de Ob, hiervoor moet je een hangbrug over die er toch wel enigszins twijfelachtig uitziet.


Maar volgens de borden moet ‘ie 3,5 ton aankunnen, wij met onze 3 ton moeten er dus ook overheen kunnen. Als we de andere voertuigen zien die de oversteek wagen doen wij het ook maar. Leuk detail is dat pas als je aan de overkant bent blijkt dat je voor dit voorrecht 30 roebel mag afrekenen (dat is 75 ct dus dat is te overzien). Aan de overkant blijkt al snel dat hier ook enorm geïnvesteerd wordt om meer toeristen te trekken, het aantal blokhutjes wat overal en nergens verrijst is werkelijk indrukwekkend. De manier waarop is iets minder indrukwekkend.... We hebben een heerlijke late lunch in een ook gloednieuw café, vooral de soep – een soort tomaten/paprika bouillon - is verrukkelijk. Het weer is opgeknapt de afgelopen dagen en iedere dag is er iets meer zon en kruipt de temperatuur een graadje omhoog, al blijven de nachten behoorlijk koud.





En de volgende ochtend is het al weer tijd om uit Manzherok te vertrekken. Het kost even wat tijd om alles weer netjes in te pakken. Inmiddels heeft alles wel zo’n beetje een vaste plek gekregen en hebben we weer een aardige routine ontwikkeld wie wat doet in en rond de auto. Vandaag rijden we maar een klein stukje iets dieper de Altai in, van de hoofdweg af die ons straks naar Mongolië zal brengen. Het is een schitterende rit die ons langs kleine bergdorpjes, riviertjes en beboste hellingen voert, er is letterlijk geen wolkje aan de lucht bij een temperatuur van rond de 22 graden en een heerlijk briesje, net voldoende om de vliegen te verjagen. Vroeg in de middag vinden we een heel mooie plek voor een bivak en besluiten we dat het goed is geweest voor vandaag. We installeren ons met een heerlijk flesje Hoegaarden wat we in een klein dorpswinkeltje gescoord hebben. Het leuke is, dat sommige van deze winkeltjes een bijna nog groter assortiment hebben dan de supermarkten, die vooral veel van hetzelfde verkopen.



Wat jammer is, is dat ook in deze schitterende omgeving we regelmatig op een illegale vuilstort stuiten. Ook plekken die duidelijk vaker gebruikt worden voor picknick, pauze of kampeerplek ligt altijd enorm veel rommel. Je begrijpt gewoon niet dat ze dat zelf niet stoort. En af en toe stuit je dan ook nog op een fabriekspijp die zulke zwarte rook uitbraakt, wat bij ons al sinds de jaren 70 niet meer is voorgekomen, een enorm contrast met de idyllische omgeving. Maar nu zien we dat lekker even niet en hoeven we alleen maar van de bergen te genieten. En van de pasta met zalm en broccoli later die avond.





De volgende ochtend worden we voor ons doen pas heel laat wakker; het is al 08.30 uur. We slapen gewoon nergens zo lekker als in ons Land Rover bed! We hebben nog een dag van alleen maar genieten voor de boeg. Het is weer een zomerse dag, iets meer bewolking en iets warmer. Een zo mogelijk nog mooiere rit brengt ons iets verder zuidelijk op de M52, de weg naar Mongolië. Dit deel van de weg staat bekend als Chuysky Trakt en is volgens de L.P. het mooiste stuk weg wat we in Rusland zullen vinden. We willen het best geloven. Tegen het eind van de middag proberen we eerst de rivier over te steken om een mooie bivakplek te vinden via een wel erg gammel uitziende hangbrug, maar besluiten dat we ons leven en de auto hier maar niet aan wagen. Er is verder ook helemaal geen verkeer. Een kilometer of 10 verderop vinden we een bruggetje wat we wel vertrouwen en zo strijken we weer neer in de bergen met het geluid van een ruisende rivier als enige begeleiding als we – na een heerlijke maaltijd van rijst, kip en boontjes, in slaap vallen.





De volgende dag is het zwaar bewolkt maar droog als we ons opmaken voor de laatste 200 kilometer richting Mongolië. We vertrekken bijtijds en doen het weer kalm aan, want, het wordt een beetje saai misschien, het lijkt wel of het alleen nog maar mooier wordt. We stijgen gestaag naar zo'n 1700 meter en kijken uit op de besneeuwde bergtoppen. Ook op ooghoogte liggen her en der nog resten sneeuw. De temperatuur houdt het op zo'n graad of 14. Vrij abrupt komen we op een soort hoogvlakte, het groen verdwijnt en bruin en grijs nemen de plaats in. Er staat een snijdend harde wind die enorme stofwolken opzweept. We rijden door het dorpje Kosh-Algach, een rommelige verzameling houten huizen en hekwerken. Je vraagt je af wat iemand toch bezield om hier te (blijven) wonen terwijl het 20 kilometer naar het noorden zo mooi is! Het dorp wordt gegeseld door de wind en het stof. Wat zouden ze hier doen om de tijd door te komen. Zelfs een groentetuintje is hier geen optie meer. Ook verder richting grens zien we nog dergelijke dorpjes en her en der wat geiten en schapen. Het is altijd verbazingwekkend waar die beesten nog van kunnen leven, soms denk je echt dat ze wel stenen moeten eten.
Om tien over een staan we dan bij de grens bij het 'immigration checkpoint'. Alleen is er niemand. Middagpauze tot 14.00 uur! We blijven maar even in de auto wachten met lopende motor en verwarming, want de wind blaast nog steeds dwars door je heen. Al met al gaan de uitreisformaliteiten soepel (voor toekomstige reizigers, ook hier weer niemand die vraagt naar registratiepapieren; we zijn blij dat we ons er ditmaal niet druk over hebben gemaakt en zullen dat ook een volgende keer niet meer doen). Opmerkelijk is alleen dat ditmaal iemand het nodig vindt om de paspoorten van Duco en Syma helemaal te kopiëren. Wat ze er vervolgens mee denken te doen is ons een raadsel, maar onze zegen hebben ze.

Na drie kwartier gaat de slagboom omhoog en mogen we door. De Mongoolse grens is echter nog zeker 30 kilometer verder. We rijden dus een stuk door niemandsland; zien onze eerste bergmarmot en ook een paar yaks, grappig toch dat deze beesten zich ook aan een grens lijken te houden. We genieten nog even van de laatste kilometers asfalt want uit betrouwbare bron (Gerard en Betty) weten we dat dit na de grens abrupt ophoudt en overgaat in gravel en stof.

De weg blijft maar stijgen en voor we het weten zitten we op 2400 meter. Al snel zien we het eerste checkpoint, of is het het laatste Russische kantoortje? Hoe dan ook, we mogen snel doorrijden en komen bij de grensgebouwen aan. Een papiertje invullen, paspoortcontrole, auto registratie, customs, het gaat allemaal reuze soepel. En ze spreken Engels! Niet allemaal, maar ze zorgen dat de persoon die Engels spreekt ons helpt, gaat reuze soepel allemaal. De dame (ook voor het eerst dat we een vrouw als hoofd van de douane treffen) wil nog even in de auto kijken en schrikt zich werkelijk een hartverzakking als ze de achterdeur opendoet en Duco en Syma over de koelkast hangend haar vriendelijk begroeten. Tja, dat krijg je ervan als je niet rustig even wacht totdat een van ons dat doet ;). Voor de eerste keer bij de inreis worden de paspoorten van Duco en Syma uitgebreid bekeken. Het is duidelijk dat er wel bepaalde regels gelden, maar waarschijnlijk hoeven ze die nooit in praktijk toe te passen, zeg nou zelf, wie neemt er nou z’n hond mee naar Mongolië. Een van de regels is blijkbaar dat ze moeten kijken of de honden er gezond uitzien. Een van de heren wordt met deze taak opgezadeld, de dames vinden het veel te eng. Emiel neemt de man mee naar de auto waar hij de honden onder de kin kriebelt en Duco even aan een pootje voelt, alsof hij de pols opneemt. Duco trekt snel z'n pootje terug, daar is hij niet van gediend. Maar ze zijn voor de test geslaagd en mogen mee. Een klein uurtje later gaat de laatste slagboom open en zijn we in Mongolië! Gelijk mag de klok weer vooruit, want er is weer een uur van onze dag afgesnoept.

Het is dan ook al vijf uur als we onze eerste meters over de Mongoolse gravelweg afleggen. Het is alsof we op de maan zijn beland. We zijn nog steeds op 2200 meter, het waait nog steeds hard en er is stof! Geen boom of struikje in de wijde omtrek. Na een klein uurtje vinden we het genoeg voor vandaag en rijden we de uitgestrekte steppe in, een heuveltje over ietsjes van de weg en daar stoppen we voor de nacht. Auto met de neus in de wind, wij lekker binnen met de kachel! 's Avonds klaart het heel langzaam iets op en net op tijd voor de zonsondergang weet de zon nog wat kleur op de bergen te brengen, en dan is het toch weer betoverend mooi.





Na een berekoude nacht liggen we 's morgens nog even warm te worden als we in de verte een brommertje aan horen komen. Ook in deze uitgestrekte vlakte waar je niemand ziet, heeft iemand ons wel gespot! Een familie bestaande uit vader, zoon en dochter, onderweg om de dochter naar school te brengen. Bezoek laat je natuurlijk niet voor een dichte deur staan dus snel in de kleren en er volgt een hartelijke begroeting.





Voor het eerst in al die weken zijn mensen niet bang voor Duco en Syma, integendeel, ze worden geaaid en geknuffeld en krijgen een stuk brood van de 9-jarige dochter. Iedereen moet op de foto en dan vertrekt het gezelschap weer, want de school begint nu snel! Het weer werkt ook mee, de wind is nog niet wakker en de ochtendzon kleurt bergen van chocoladebruin tot zachtgroen, het maanlandschap krijgt diepte en kleur. Wat hebben we enorm veel zin in Mongolië!


 
Mongolië

Mongoolse gastvrijheid, schitterende bergen en de bush-mechanic

22 - 27 mei, Tsaagaannuur, Olglii, Altai Tavan Bogd National Park, Olglii (Mongolië)

Als ons ochtendbezoek vertrokken is, is het tijd voor ons eigen ochtendritueel. Ook wil Emiel de auto weer eens even goed checken, kijken of alles nog vast zit. Het blijkt dat vooral de achterwielen wat speling hebben. We besluiten om daar nu dan gelijk maar even wat aan te doen alvorens we naar Olgii vertrekken, de eerstvolgende stad op onze route van waaruit we het Altai Tavan Bogd National Park willen bezoeken. De operatie verloopt voorspoedig, al maakt de opstekende wind het wel lastig om het werk een beetje stofvrij te houden. Met een geïmproviseerd tentje van handdoeken lukt het toch aardig. Het is al ruim voorbij het middaguur als we dan uiteindelijk vertrekken. Olgii is niet ver maar we denken er toch wel even over te doen. De eerste 20 kilometer komen onze verwachtingen uit, al blijken ze ook hier weer aan de weg te werken. Pff, mooi hoor, maar eigenlijk hebben we voor de eerste maanden wel genoeg wegwerkzaamheden gezien in Kazachstan. Het is flink door stof en zand ploegen, de omleidingen zijn hier wat minder gestructureerd en het terrein heeft bepaalt meer reliëf dan eerder in de Kazakstaanse steppe. We zitten hoog, nog steeds zo'n 2400 meter en we merken dat we ineens de berg nauwelijks meer opkomen. Terug naar de twee sukkelen we met een gangetje van 10 - 20 omhoog. Wat is hier nu ineens aan de hand?? In de auto hebben we een metertje wat de turbodruk aangeeft. Tot nu toe hebben we daar eigenlijk nooit veel aandacht aan gegeven, het staat altijd tussen de 0 en 1 bar, en dat zal wel goed gaan. Maar nu blijkt ineens dat we er toch wat aan hebben, want de wijzer haalt de 0,5 niet eens meer. De turbo bouwt dus geen druk op. Een korte check laat niets zien, geen slangen los of zo. Dan maar even het luchtfilter schoonblazen, met al het stof wat deze de laatste dagen te verwerken heeft gehad is dit misschien het probleem. Er komt genoeg stof uit en het lijkt iets te helpen maar het blijft een beetje doorsukkelen. Gelukkig hoeven we even geen hoge bergen meer over en kijken we het maar even aan.

Tot onze verrassing rijden we zo'n 30 kilometer voor Olgii ineens op asfalt. Intussen ontwikkelen zich overal om ons heen enorme buien en de sneeuw- regen- en hagelstrepen trekken links en rechts langs. Het is wel een indrukwekkend gezicht! Vooralsnog lijken we de ergste buien te missen en veel sneller dan verwacht rijden we het stadje binnen. En geloof het of niet, maar het eerste wat we zien is de Irish Pub, Restaurant & Karaoke. Dutch Courage valt met de neus in de Guinness! Dat gaan we straks eens even grondig checken maar eerst maken we een rondje op zoek naar een aantal zaken die we hier willen regelen. Eerst moeten we Mongoolse tugrugs halen, dat lukt snel genoeg bij een van de vele pinautomaten. Vervolgens naar een van de vele internetcafe's, site updaten, mail checken en wat rekeningen betalen. Dan op zoek naar de 'border troops' voor een border permit. Het NP ligt dicht tegen de Chinese en Russische grens en je hebt dus een speciaal permit nodig om daar te mogen zijn. We vinden de heren snel genoeg en we zijn ook zeker dat dit het goede adres is, maar ze spreken geen woord Engels en willen of kunnen het allemaal niet begrijpen. Dan maar eerst op zoek naar het informatiebureau van de Nationale Parken, ook dat lukt prima maar deze zijn gesloten, wat ook niet zo verwonderlijk is zondagmiddag. Daar treffen we wel Jupar die ons in goed Engels aanspreekt en aanbiedt ons te gidsen. Wij zijn in eerste instantie nogal afhoudend want wij denken helemaal geen gids nodig te hebben, met tracks, waypoints en kaart denken we het zelf prima te kunnen vinden. Maar hij is erg aardig en informatief zonder opdringerig te zijn en we beloven 'm dat we er over na zullen denken en hem morgen vast wel weer treffen. We wisselen nog wat contactgegevens uit en nemen afscheid. Natuurlijk op naar de Irish Pub! Met de honden hebben we inmiddels een soort overvaltechniek ontwikkeld... we lopen binnen met honden, vragen “kunnen we hier gaan zitten?” en voordat ze zich realiseren wat er gebeurt zitten we lekker met de honden keurig onder de tafel. Het is hier zo ongelooflijk ondenkbaar dat je je hond meeneemt naar een restaurant dat ze er geen regels voor hebben bedacht en niet snel genoeg kunnen reageren en we al aan het bestellen zijn voordat zij bedacht hebben of het wel een goed idee is. Dat werkt ook hier weer. Maar de Irish Pub is toch niet helemaal wat we verwacht hadden, Chinees restaurant had de lading beter gedekt. Geen Iers klavertje, vlag of Guinness te bekennen. Wel gedekte tafels met roze tafelkleden en een vissenkom. Het menu plaatst ons ook voor raadsels, met behulp van de serveerster bestellen we iets, en tot onze verrassing blijken dat twee grote kommen soep te zijn Best lekker overigens. Met een Amerikaans biertje erbij smaakt het ons prima. Na een uurtje rijden we het stadje uit de bergen in op zoek naar een bivakplek en gaan morgen verder kijken hoe en wat we willen doen.

Op weg naar de bergen begint het inmiddels behoorlijk storend te worden dat we geen berg meer normaal op komen. We zitten dan weliswaar wel hoog, maar dat is eerder ook nooit een probleem geweest. Eenmaal geïnstalleerd op een goede bivakplek wordt een nadere inspectie uitgevoerd. Al snel is het probleem gelokaliseerd. Een van de ophangpunten van de intercooler is gescheurd, waardoor er gewoon een gat in de intercooler zit en ja, dan is druk opbouwen natuurlijk lastig. Dit zou gelast moeten worden, maar zie maar een goede aluminiumlasser te vinden in Olgii. Ook zonder lasser is er wel een oplossing te bedenken door er een plaatje aluminium op te bevestigen maar dit vergt wel wat materiaal wat we niet bij ons hebben. Emiel laat er nog wel even het betere McGuiver werk op los zodat er geen stof in komt, met behulp van bierviltje, ductape en spanband; het werkt nog ook! Morgen dus shoppen in Olgii, wellicht dat onze potentiële gids ons kan helpen te vinden wat we nodig hebben. We besluiten 'm morgen op te zoeken en dan gelijk te bespreken wat hij ons zou kunnen bieden in het NP.

De volgende ochtend als we wakker worden ligt het ijs op de slaapzak en ook de honden hebben het niet warm, zelfs Duco zit te bibberen. Nadat we allemaal dankzij onze standkachel weer zijn opgewarmd rijden we naar Olgii maar vinden Jupar niet. Ook per telefoon is hij niet bereikbaar. Bij het informatiecentrum van de nationale parken zijn vier mannen aanwezig, allemaal druk achter hun computer. Niemand lijkt een woord Engels te spreken. Met behulp van een telefonische tolk, die een van de heren ten einde raad maar opbelt, wordt hen duidelijk wat we willen. Twee heren kruipen ongeveer bij elkaar op schoot voor in de auto om ons naar de bordertroops te brengen om de permit te regelen. Dat heeft ook nog wat voeten in de aarde, blijkbaar is de persoon die dit normaal regelt niet aanwezig. Uiteindelijk komt er iemand die hoog genoeg is en het ook mag doen en met z'n vijven, de heren van het NP volgen ons op de voet, wordt het papiertje ingevuld en gestempeld. We hoeven niet te betalen, wat vreemd is, want normaal zou het 3000 MT moeten kosten. Maar goed, wij klagen niet. Dat is dan geregeld. Nu proberen ons boodschappenlijstje af te werken. Met veel vragen, een beetje Engels, een beetje Russisch en af en toe iemand treffen die redelijk Engels spreekt en ons weer verder helpt scharrelen we langzaam maar zeker de meeste dingen bij elkaar. Het meeste op de zogenaamde 'zwarte markt' een verzameling zeecontainers en stalletjes waar van alles te krijgen is. Midden in de markt is een groot 'plein' met allemaal biljardtafels; het is een gezellige drukke boel. We trekken heel wat bekijks als we met Duco en Syma overal tussendoor stappen.



Zoals al eerder zijn er mensen die er wel eentje willen kopen, al zijn de goede bedoelingen niet altijd zeker want wij krijgen de indruk dat ze er ook wel eens een leuke bontmuts in zien. We denken ook dat ze liever in Nederland wonen dan Mongolië en niet als bontmuts willen eindigen, dus we houden ze maar! Een aluminiumlasser vinden we niet, maar inmiddels is Emiel in zijn hoofd al overgestapt op plan B, met een aluminiumplaatje, schroeven en kit goed dichtmaken. Tegen het eind van de middag rijden we dus terug naar onze bivakplek van gisterenavond en daar, in de ijskoude wind en zelfs een paar sneeuwvlokken, gaat Emiel aan de slag met de klus. Ook zet hij de motorkap met behulp van beugeltjes en spanbanden nog extra goed vast, we hebben de indruk dat 'ie meer is gaan stuiteren de laatste tijd, niet goed, zou ook wel de intercooler de das om kunnen hebben gedaan. Daarna opwarmen binnen met standkachel en kop hete thee, wat zijn we blij dat we een kachel hebben, zonder was het regelmatig een erg koud avontuur geweest.

Inmiddels hebben we Olgii wel gezien, maar toch rijden we nog eenmaal terug om te zien of we Jupar misschien nog treffen. Nu blijkt hij wel thuis en we spreken met hem af voor het kantoor van het NP. De reden waarom we nu toch wel met een gids zouden willen is niet zozeer om de weg te vinden, want dat zou ons zo ook wel moeten lukken, maar omdat het ons leuk lijkt om wat meer contact met de mensen te hebben, dat wat we tot nu toe een beetje missen. En dat is precies wat hij zegt te kunnen bieden. Het is een beetje een afwijkende regeling voor hem ook, want wij willen hoe dan ook met onze eigen auto, maar kunnen niet echt iemand er bij in hebben voor langere ritten. Hij rijdt dus zelf in zijn auto, een soort Volkswagen busje van Russische makelij, en wij er achter aan. De eerste stop is bij zijn huis om zijn spullen te verzamelen en de auto in orde te maken. Wij vermaken de familie met de honden, Duco is altijd een groot succes bij de kinderen. Ook blijkt dat zijn jongste zoon vandaag twee is geworden en we moeten natuurlijk ook een stuk verjaardagscake eten en thee drinken. Zo tegen het middaguur is het allemaal geregeld en zijn we klaar voor vertrek. Nog een stop om de tank vol te gooien voor hem en dan op weg naar het park.



De route is inderdaad niet moeilijk, maar wat een prachtige rit. Het weer is enorm opgeklaard, het is zonnig en zelfs de wind valt reuze mee. De kleuren op de heuvels zijn schitterend; groen, roze, bruin, geel, zwart. De track is hobbelig en soms zanderig totdat we bij de vallei komen en we langs de rivier rijden op een stenig pad. Het is behoorlijk ruig maar goed te doen. Op veel plaatsen op en naast de rivier ligt nog sneeuw en ijs. Er wordt op verschillende plekken gevist op iets wat lijkt op forel.


Onderweg worden nog twee kinderen meegenomen door Jupar die op weg zijn naar huis en gewoon van de ene auto in de andere worden overgeladen, net zo lang totdat ze op de plek van bestemming zijn. Hij kent ze niet, maar dat is hier helemaal geen probleem. Net zo als het heel normaal is om bij iedere willekeurige ger te stoppen voor een kop thee, iets te eten of te slapen, al naar gelang het tijdstip van de dag. Wij stoppen bij drie families die het volkomen normaal vinden dat je binnenkomt. Natuurlijk moet je plaatsnemen op de krukjes aan de noordzijde in de ger, de plaats voor gasten. En thee drinken, liefst veel thee. Jupar doet het moet overgave. Ze drinken hier 'melkthee', thee aangelengd met grote hoeveelheden melk van koe, geit, yak of kameel (of dat allemaal door elkaar). Het is niet echt vies, maar lekker is anders (vinden wij). Maar om niet al te onbeleefd te zijn kun je natuurlijk niet altijd weigeren. De tafel staat onveranderlijk volgeladen met allerlei soorten kaas, yoghurt, een soort zure room, brood en een of meerdere schaaltjes met snoepjes. Hier kun je ook gewoon van nemen waar je zin in hebt, de hele dag door.

Aan het eind van de dag hebben we de ingang van het park bereikt, naast een zeer kunstige houten brug. Jupar slaapt bij de 'ranger' en haar familie in de ger, wij slaan ons kamp een meter op 20 verder op en slapen lekker in ons eigen huis.


De volgende ochtend om half tien staat Jupar klaar bij de brug om het park in te gaan. Maar hij heeft het niet helemaal ongeschonden gehaald... die ochtend is hij tegen de kachel gevallen waar een grote kom kokend water op stond (hij schrok van een hond toen hij de deur opendeed en viel achterover). Zijn linkerarm en een deel van zijn rug zijn behoorlijk verbrand. Maar hij wil ondanks herhaald aandringen van geen dokter of teruggaan weten. Het is behandeld door er schapenmest op te doen en het dan in te zwachtelen. Zo doen ze dat hier op het platteland blijkbaar. Ik denk dat als ik zo verbrand was, ik niet meer zo vrolijk zou kijken maar hij staat erop dat we gewoon doorgaan met de trip. We gaan er maar vanuit dat hij oud en wijs genoeg is om zelf te beslissen. We rijden door prachtige bergen, over bruggetjes, langs riviertjes. We bekijken een aantal heel mooie bolbols, dit zijn grafstenen gemaakt door de Turken die hier in de 6e-10e eeuw zaten om een belangrijk persoon te eren. Zonder gids is het moeilijk ze te vinden, maar Jupar rijdt ons er keurig heen.



Ook hier weer gers en families en door een van de heren laat hij zich nog even aan zijn arm behandelen door er nu verse koemest op te laten doen, dat is blijkbaar beter dan schapenmest. En niet een beetje koemest, gewoon een lekkere dikke laag. Het zal wel koelen denken wij maar.


Bij een van de families worden we uitgenodigd om te kijken naar het kammen van de geiten voor de kasjmier wol. Het is een gezellige boel daar binnen zoals je kunt zien. Wat ons bij deze familie ook opvalt, is dat ze er veel meer Europees dan Aziatisch uitzien, dat verschil zie je vaker hier. In deze regio wonen voornamelijk Kazakken en geen Mongolen. We zullen dus zien hoe dit verder naar het oosten is.



Die dag vorderen we tot het Hurgan meer, nog grotendeels met ijs bedekt! Dat hadden we eigenlijk niet verwacht eind mei, maar het schijnt normaal te zijn voor de tijd van het jaar. Gelukkig schijnt er een heerlijk zonnetje en is de wind minimaal. We genieten dan ook op een rotsblok langs het meer van een glaasje wijn en natuurlijk het nodige bezoek van herders die even langs komen. En allemaal graag op de foto willen, evenals de families die we bezoeken. Iedereen moet met iedereen wel een keer geknipt worden.


Terug van ons drankje merken we ineens dat er diesel lekt uit de hoofdtank. Niet heel veel maar een gestaag gedrup. Shit, wat nu weer, heb je net het ene opgelost, dient het volgende probleem zich al weer aan. Het is niet te zien waar het lek zit, op de tank zit een beschermplaat en het lijkt onder de beschermplaat uit te lopen. Het is dus ontzettend lastig in te schatten of het gewoon een klein gaatje is of een scheur die ieder moment groter kan worden. De stemming krijgt even een dipje, voornamelijk omdat we niet weten wat nu verstandig is. Teruggaan naar Olglii, de tank eronder uitschroeven. Gewoon doorgaan... zo veel diesel lekt hij (nu) niet. We besluiten uiteindelijk de trip ietsjes in te korten door niet verder langs het meer te gaan, maar morgen via de geplande route in twee dagen terug te rijden.

Dat doen we dus ook en we hebben nog twee leuke dagen met veel moois. We kijken naar hoe een Kazakse familie de ger opbouwt. Je kunt zien dat ze het vaker doen want het gaat reuze vlot en handig; ze trekken een aantal malen per jaar naar een andere plek, in de zomer en winter, maar ook is er een speciale plek waar de dieren hun jongen ter wereld brengen. Hier zijn grote overdekte 'stallen' (gestapelde stenen met koemest/leem).



Verder zien we nog meer grafbeelden, best wel spectaculaire rivierdoorwadingen en op onze laatste nacht zelfs nog sneeuw bij een snoeiharde bijtende oostenwind.



Gelukkig is het 's morgens weer opgeklaard en blijven we een mooi uitzicht houden. We rijden naar 2828 meter, de hoogste top tot nu toe op onze trip. We waaien bijna weg, maar het uitzicht maakt het helemaal goed. Ook gaan we nog op bezoek bij een 'eagle hunter'. Hier in deze regio jagen sommige mensen met behulp van adelaars, die ze trainen voornamelijk voor de jacht op vossen. Het jachtseizoen is van oktober tot februari dus we kunnen ze niet aan het werk zien, maar wel kunnen we het prachtige beest van dichtbij bekijken. Wat een joekel en wat een klauwen. Ze gebruiken alleen de vrouwtjes, deze zijn groter en agressiever in de jacht.



Vrijdagmiddag rond 2 uur zijn we terug in Olglii en gaat Emiel aan het werk met de tank. Het plan is, 'm eronder uit te schroeven, de beschermplaat te verwijderen, te kijken wat de schade is, deze te laten repareren (lassen), en 'm terug te schroeven. Helaas is het lot ons niet gunstig gezind. Bij het losschroeven breekt er iets cruciaals af en de beschermlaat is niet te verwijderen, deze zit gelijmd. Was er nu een slimme en goede lasser te vinden in het dorp, dan was er nog wel een mouw aan te passen geweest, maar lassen kunnen ze niet, slechts een beetje solderen en ze begrijpen het ook al niet. Emiel ziet er geen brood in en heeft inmiddels spijt als haren op z'n hoofd (als die deze had) dat hij de tank niet gewoon heeft laten zitten en ermee naar UB is getuft. Maar het leed is geschied.
Noodplan B treedt in werking. Hij denkt het zo te kunnen ombouwen dat we uit een van de extra tanks de diesel naar de motor laten pompen. Het systeem wat we hebben zit zo in elkaar dat de diesel eerst naar de hoofdtank moet worden gepompt, het kan niet rechtstreeks. Achteraf gezien was dat wel handig geweest, maar ja, niet gedaan dus. Overleg met Paul, onze technische steun en toeverlaat volgt en zo rond tien uur 's avonds is het karwei geklaard. Paul stuurt een dieseltank op naar UB en tot dan gebruiken we onze extra tanks. We brengen de nacht door op het erf van onze gids. Dit zijn dus de minder leuke dingen van het reizen, maar uit ervaring weten we, het hoort er allemaal bij.

Mooi Mongolië maakt meer kapot dan je lief is, maar wie een geitje redt heeft niet voor niets gereisd.

Tja, hoe dit verhaal te beginnen. Jullie vragen je natuurlijk af wat er in vredesnaam gebeurd is wat ons heeft doen besluiten om onze trip in Mongolië af te breken en terug te rijden naar Nederland. Het leek immers allemaal zo mooi opgelost. Emiel had een bypass weten te maken om de hoofddieseltank te omzeilen, Paul zou een nieuwe tank opsturen naar UB, kortom, alles onder controle. Ik zal dan ook beginnen met toe te lichten wat er nu gebeurd is. Daarna volgt nog gewoon een verhaal over onze laatste dagen in Mongolië en de terugreis door Rusland, want er is nog genoeg om te vertellen!



Zoals jullie weten zijn we al heel wat duizenden kilometers over slechte wegen en ruige off-road paden ons een weg aan het banen. Deze kilometers hebben duidelijk hun tol geëist; de ophangpunten van de camperunit hebben het begeven. Feitelijk staat de bak los op het chassis, we hebben 'm met spanbanden vast moeten sjorren. Dit is over een redelijke weg al niet echt een ideale situatie, over ruig terrein is het echt niet fijn en vragen om grote problemen. Niet alleen waren we bang voor nog veel meer, en veel duurdere, schades, het is ook simpelweg gevaarlijk. Terugkijkend denken we dat de keer dat we in Kazachstan vast zaten in de modder en we ons zelf eruit hebben moeten lieren het begin van de ellende is geweest. Hierbij is er zoveel kracht op de constructie komen te staan dat de ophanging hier de eerste klap heeft gekregen.
De dubbele dieselproblemen kwamen hier nog bovenop; de oplossing van Emiel heeft het, na aanvankelijk nog een flinke hick-up, goed gehouden, af en toe een kleine lekkage maar niets ergs. Helaas bleek echter ons plan om Paul een tank naar UB te laten sturen wel een heel erg dure hobby, ruim 1200 euro zou dat gaan kosten, dat vonden we echt te gek. Doordat we een veel kleinere hoeveelheid diesel konden meenemen, werd onze actieradius flink ingeperkt, juist in Mongolië waar we dit, vooral gezien de dieselschaarste (hierover zo meer) hard nodig hadden om UB te bereiken. En als het al gelukt was, dan was daar ons Mongolië avontuur alsnog teneinde geweest. De Gobi woestijn was met de auto in deze conditie geen optie voor ons. Dat heeft ook een belangrijke rol gespeeld. Want we konden dan misschien met heel veel pijn en moeite nog tig dagen doorploeteren richting UB, maar waarvoor? Zo'n droombestemming was de stad op zich voor ons ook niet.
Daar kwam dus nog bij dat Rusland een of ander conflict met Mongolië probeerde 'op te lossen' door de dieseltoevoer volledig stop te zetten. De diesel was dus op de bon, en bonnen hadden wij niet. Dat betekende veel rondvragen en geluk hebben als je weer eens 30 liter ergens kon ritselen. Maar met 30 liter kom je in een land zo groot niet ver! Door de bypasses was het dieselverbruik daarbij ook nog eens heel lastig in te schatten, de brandstofmeter werkte tenslotte ook niet meer.
Dit alles bij elkaar maakte dat we met een groot gevoel van onrust over de pistes kropen, alert op ieder vreemd geluid, een blik op de kilometerteller hoe ver we al gereden hadden en nog verder moesten tot de volgende stad waar hopelijk wat te krijgen was. Kortom, we hadden er geen plezier meer in. En dat is uiteindelijk toch de bedoeling; we doen het niet om te kunnen zeggen dat we hier of daar geweest zijn, we doen het om de weg er naar toe op een prettige manier te beleven. En daar was geen sprake meer van. Op de route die we gekozen hadden hebben we dagen gereden waarbij we vrijwel niemand zijn tegengekomen, dus als er echt nog iets kapot was gegaan of we zonder diesel waren komen te staan, waren we echt compleet op onszelf aangewezen geweest. Wij vonden het niet verantwoord en niet leuk meer, kortom tijd om terug te gaan. Had je dan niet in Rusland de boel kunnen fixen? Misschien wel, al was de dieseltank daarheen sturen nog moeilijker en duurder. En wij vonden het lastig communiceren met de Russen, niet alleen vanwege de taal maar ook vanwege hun houding. En terug Mongolië in was sowieso niet mogelijk, met ons visum mochten we er maar een keer in. Dan liever terug naar Nederland en de boel goed laten repareren. Natuurlijk is het jammer zoals het is gelopen maar we hebben niet het gevoel dat onze reis 'mislukt' is. Van Kazachstan hebben we erg genoten, de Altai was schitterend en de tijd in Mongolië, al was die dan veel te kort, hebben we ook als bijzonder ervaren. Wie weet gaan we nog eens terug, maar dan wel via een andere route!


28 mei - 14 juni: Olgii, Tolbo, Hovd, Ulaangom, Dzuungov, Turgen, Hovd Achit (Mongolië), Ortopyk, Aya, Novosibirsk, Omsk, Tyumen, Ekaterinburg, Perm, Kazan, Nizny Novgorod, Tver, St. Petersburg (Rusland), Kosta, Helsinki (Finland)

Die ochtend nemen we afscheid van Japur en zijn familie en rijden we heel rustig, met de vingers gekruist dat alle omleidingen het houden, de stad uit. We zoeken eerst een plek om even met de honden te lopen, ze in de stad uitlaten is nooit fijn maar hier al helemaal niet, er ligt overal zo ongelofelijk veel glas dat het een wonder is dat we niet al eerder een snijwond hebben moeten behandelen. Het lijkt allemaal goed te gaan, maar als we na de wandeling bij de auto terugkomen blijkt het toch ergens te lekken. Shit! Maar Emiel denkt te weten wat het probleem zou kunnen zijn en weet wat hij wil doen. Wel eerst nog een heel klein stukje rijden om de auto iets vlakker te krijgen. Dat is geen goed idee, binnen in de auto schiet een slang los en spuit een lading diesel de auto in. De diesellucht zal nog lang blijven hangen...
Er zit niets anders op voor Emiel om zich weer in zijn overall te hijsen en onder de auto te kruipen. Het heeft te maken met de aansluitingen voor de ontluchting en de retourleidingen (bij een dieselmotor gaat er altijd ook veel diesel weer terug de tank in). Het duurt al met al een halve dag om het weer in orde te krijgen, gelukkig is het weer goed en is de wind rustig. Ook worden we hier niet lastig gevallen door pottenkijkers, Emiel is niet in de stemming voor goede raad. Al is de middag inmiddels al een eind gevorderd, we zijn wel klaar met Olgii en rijden de stad uit op weg naar Hovd, 250 km naar het zuidoosten. Van daaruit willen we dan de weg naar het noorden pakken naar Ulaangom. We willen de noordelijke route rijden naar UB, die lijkt ons mooi en de zuidelijke route pakken we straks nog wel een stuk mee als we vanuit UB de Gobi gaan verkennen. Beiden zitten we gespannen in de auto, hopend dat het allemaal goed blijft gaan. Emiel stopt onderweg een paar keer om te checken, en vooralsnog lijkt alles het te houden. We vorderen die dag niet heel ver meer, de weg is inspannend, behoorlijk wasbord, en we stoppen zodra we een beetje de drukte achter ons hebben gelaten, we zijn beiden moe van al het gedoe.



De weg naar Hovd de volgende dag is een mooie, al is het af en toe zoeken naar de juiste weg, de kaart op de GPS lijkt verouderd, vaak zitten we een heel eind van de weg af, maar door te vragen aan voorbijgangers en bij een enkel klein dorpje zijn we er toch van overtuigd dat we de goede weg volgen, wat uiteindelijk ook zo blijkt te zijn. Een uurtje of wat voor we Hovd bereiken zien we ineens langs de weg een heel klein jong zwart geitje staan, moederziel alleen. Een eind verderop graast wel een kudde geiten en schapen en nog iets verder terug is een heel klein gehucht, maar van een herder geen spoor. We kunnen het arme beest niet aan z'n lot overlaten, hij of zij is echt nog maar een paar dagen oud zo te zien. We pakken hem op en ik stap met 'm de auto in, wat achterin vooral bij Syma tot zeer grote opwinding leidt. Maar het arme beestje laat zich rustig pakken en aaien; af en toe slaakt het een klein kreetje, zo zielig! We proberen 'm bij de kudde neer te zetten, zien of z'n moeder reageert. Maar niemand meldt zich om het beestje op te halen of te adopteren. Weer terug de auto in terug naar het gehucht om te zien of daar iemand een geitje mist.



Bij een van de huisjes zijn een oude man en een jonge vrouw bezig met kammen van geiten en zodra ze me zien aankomen met het geitje in de armen krijgt de vrouw een hele brede lach op haar gezicht en ontfermt ze zich met liefde over de kleine hummel. We weten nog steeds niet of zij nu wel of niet de eigenaar waren van het beest maar hebben er vertrouwen in dat we het in goede handen hebben achtergelaten. Zo hebben we toch een goede daad verricht! Syma blijft nog een paar uur reuze opgewonden en wil steeds voor in de auto kijken waar dat geitje toch gebleven is.

In Hovd zelf willen we eigenlijk alleen even een paar boodschappen halen en dan door naar Ulaangom. We stoppen bij de markt en zijn na een kwartiertje klaar. Terug bij de auto slaat de schrik ons om het hard, iets is er mis want er ligt een grote plas onder de auto en er staan ook al een aantal omstanders te wijzen dat er iets mis is. Diesel is natuurlijk onze eerste gedachte. G#@!$ net nu we een klein beetje vertrouwen hadden gekregen dat het werkte! Maar zodra we bij de auto aankomen ruiken we al snel dat het geen diesel is maar water. De watertank lekt, en flink ook. Ook niet fijn, maar minder dramatisch dan een nieuw diesellek. We slaken maar eens een diepe zucht, weer wat te repareren! We besluiten die middag dan ook niet verder te rijden maar eerst dit probleem te tackelen. Eerst willen we nog even diesel tanken. Nu we alleen maar de extra tanks hebben willen we deze in iedere stad zoveel mogelijk voltanken, wat overigens ook nog behoorlijk lastig is, heeft te maken met ontluchting, het is moeilijk om ze goed vol te krijgen, met veel beleid heel langzaam tanken is het devies. Bij het eerste tankstation 'geen diesel'. Typisch denken we, maar kan gebeuren. Als ook het tweede, derde en vierde tankstation geen diesel blijken te hebben snappen we het niet meer. Het is zondag, mag je soms niet tanken op zondag? Het valt ons op dat er eigenlijk nergens een auto staat te tanken. Is de stroom soms uitgevallen? We laten het maar even, morgenochtend nog maar eens proberen. Bij de rivier die langs de stad loopt vinden we een geschikte plek om te kamperen en te repareren. Het is een prettige plek met mooi zacht groen gras en een heerlijk briesje. We laten de watertank leeglopen en Emiel plakt 'm met ductape. Met water uit de rivier vullen we de tank weer en het lijkt te houden. Vooralsnog moet het dit maar zijn.



De volgende ochtend zijn we onderweg in het stadje op zoek naar diesel als ons plotseling een andere Land Rover Defender tegemoet komt, wat leuk, andere overlanders! We stoppen voor een praatje; het zijn Lynn en Gilles uit België. Zij komen vanuit UB en zijn op weg naar Rusland. Zij weten ons te vertellen wat het probleem is met de diesel - er is gewoon bijna geen diesel meer en alleen met bonnen (die in UB verkrijgbaar zouden moeten zijn) verkrijgbaar; zij hebben het al dagen aan den lijve ondervonden. In Olgii hebben we er helemaal niets van gemerkt of over gehoord, maar het is ook al een week geleden dat we daar getankt hebben en zonder enig probleem 120 liter kochten. Wij kunnen hen gerust stellen (denken we) dat er in Olgii volgens ons echt nog wel diesel is, dat kunnen ze met de liters die ze nog hebben makkelijk halen. Zij weten ons te vertellen dat het eerste deel van de zuidelijke route vreselijk slecht is, wat ons sterkt in ons plan om de noordelijke route te nemen. We merken alle twee dat we ervan opknappen even een praatje met medereizigers, dat gebeurt hier bijna niet. Na een uurtje nemen we afscheid en gaan we toch maar weer op zoek naar diesel, er is nog een tankstation wat we niet hebben gehad. We hebben geluk, we krijgen het voor elkaar om nog 25 liter te krijgen, al is de prijs fors hoger dan de reguliere prijs; marktwerking zullen we maar zeggen.

Vervolgens op naar Ulaangom. Een lange 235 kilometer! Halverwege stuiten we op een paar locals die bezig zijn hun net gerepareerde lekke band met de hand op te pompen. We hebben zelf zo onze problemen, maar hier kunnen we makkelijk een helpende hand bieden. Met de compressor is de band in een mum van tijd opgepompt. Als ze vervolgens de band optillen blijkt dat de jas van een van hen tussen de velg en de band vast zit. In plaats van de band weer even leeg te laten lopen om de jas te redden besluiten ze om de jas maar gewoon kapot te trekken, onder hard gelach en grote hilariteit.



Een paar kilometer verderop houden we onze lunchstop en ontdekt Emiel als hij de dieselleidingen en watertank inspecteert een nieuw, en zeer vervelend, probleem. De ophangpunten van de camperunit aan de voorkant blijken gescheurd. Deze piste met veel, heel veel akelig wasbord blijkt te veel te zijn geweest. Hier kunnen we zo niet mee door rijden, hier moet nu iets aan gedaan worden. Na enig beraad besluiten we met een aantal spanbanden de hele zaak aan het chassis vast te sjorren. En zo lijkt onze mooie Land Rover ineens op een soort bonbon met een grote strik er omheen. We gaan weer op weg, nu met een oog op de bak in de achteruitkijkspiegels, een oog op de kilometerteller en wat er dan nog rest op de meter van de watertank of we nog veel verliezen. We hebben wel eens relaxter gereisd...



De tijd staat inmiddels ook niet stil en we passen de snelheid nog verder naar beneden aan om de auto te ontzien op het wasbord. Vooral de laatste 20 km naar de stad zijn een ramp, het ziet eruit alsof je door een kolenmijn rijdt, zwart, vol gaten. Het is ook eigenlijk hoog tijd om te stoppen voor de nacht maar hier is het echt geen fijne plek. We strompelen dus door, de stad door, de stad uit op zoek naar een rustige plek. Dat duurt en duurt. Uiteindelijk zijn er geen gers en huizen meer en rijden we van de weg af. Ook hier ziet het er bepaald niet vrolijk uit, maar het kan ook aan onze stemming liggen denken we. Eerst maar eens die arme honden laten plassen... Ik loop in de avondschemering rond en zie ineens botten liggen. Dat is op zich helemaal niet vreemd, want je vindt overal resten van geiten, koeien, schapen, kamelen, die het niet gered hebben. Maar dit ziet er anders uit, en ik zie toch wel heel duidelijk mensenschedels. Gadverdamme! Het blijkt dat we op een begraafplaats staan, en zoals we al vaker gezien hebben worden mensen niet altijd even zorgvuldig begraven en komen waarschijnlijk dieren er bij die de beenderen verspreiden. We stappen de auto in en zetten 'm toch maar een paar honderd meter verderop neer. Nog verder rijden is geen optie, maar dit is met stip de minst prettige bushcamp die we in ons reizigersbestaan hebben gehad.

In het ochtendlicht ziet het er allemaal wat minder grimmig uit en we peppen onszelf op. Terug naar de stad op zoek naar diesel; we moeten sowieso terug om de weg weer op te pikken. Met heel veel smeken en praten lukt het uiteindelijk om wat liters los te praten. We kopen nog een jerrycan om daar in ook nog 10 liter mee te nemen in de hoop dat we daarmee Moron, de eerstvolgende grotere plaats, kunnen halen. Dat is 800 km verderop, en UB in totaal nog zo'n 1600. In ons achterhoofd begint de twijfel te groeien of dit nog wel een goed idee is. We gaan weer op weg en het lukt best om op stukken nog te genieten. Het navigeren is een uitdaging, wat normaal gesproken juist erg leuk is, maar onder deze omstandigheden is het niet ontspannen, je wilt geen fouten maken die leiden tot tientallen kilometers omrijden. Met GPS en kaart kom je uiteindelijk echt wel daar waar je wezen wilt, maar nu wil je dus gewoon alleen maar de juiste track volgen. Na een lange dag rijden zijn we precies 117 km gevorderd en hebben we precies een herder gezien onderweg. Onze keuze voor de noordelijke route is gezien de omstandigheden wellicht toch niet de meest verstandige geweest bedenken we. Inmiddels bereiken ons vanuit Nederland ook minder opbeurende berichten. Het versturen van de dieseltank naar UB is zo belachelijk duur dat we besluiten dat we dit toch echt niet gaan doen. Die avond tijdens de inspectie blijkt dat ook de achterste ophangpunten van de camperunit de geest hebben gegeven. We moeten onder ogen zien dat doorgaan op deze manier niet langer verantwoord is. Het is een ontzettend moeilijke en emotionele beslissing; we zijn zover gekomen en vinden Mongolië echt schitterend en een beleving. Eigenlijk wil je deze beslissing helemaal niet nemen maar na heel veel heen en weer praten besluiten we uiteindelijk tot het in onze ogen onvermijdelijke... we gaan terug, Mongolië uit, Rusland in en dan zien we wel weer even verder. Terug richting Ulaangom!

Zo gezegd zo gedaan. Nadat Emiel voor de zoveelste keer weer een uurtje of wat onder de auto heeft gelegen, ditmaal dus om de camperunit ook aan de achterzijde met de laatste spanbanden aan het chassis vast te maken, volgen we onze eigen track terug. We hoeven nu in ieder geval niet lastig te navigeren, we weten precies waar we eerder iets fout zijn gegaan en zijn dan ook bijtijds terug bij Ullaangom. Diesel krijgen lukt dit keer niet, een van de bedienden bij een tankstation staat ons gewoon uit te lachen; misschien denkt hij dat we Russen zijn. Na raadplegen van kaart en GPS hebben we een route uitgestippeld die ons rechtstreeks naar de grensplaats met Rusland brengt, zodat we niet eerst terug hoeven naar Olgii, dat scheelt kilometers. We zouden het moeten kunnen redden met de diesel die we hebben. We laten Ulaangom achter ons en vinden een veel betere bushcamp! Ook de kolenmijn hoeven we nu niet meer door, dat is fijn.





De rit richting grens de volgende dag is bij tijd en wijlen adembenemend mooi. We rijden langs een meer, zo ongelofelijk blauw met de nog besneeuwde bergtoppen op de achtergrond dat het bijna niet echt lijkt. De weg is beroerd en we halen nauwelijks een gemiddelde van 20 km per uur. Het rijdt wel zuinig, daar troosten we ons maar mee. En als we een ding wel in overvloed hebben, dan is het tijd. Rond de middag als het tijd is voor hondenplas- en lunchpauze zien we ineens groen, struiken, zelfs iets lijkt wat op boompjes. Lekker voor de honden, hebben ze iets om tegen aan te plassen. Duco heeft de gewoonte opgevat om als een teefje te plassen, als er toch niets is, waarom zou je dan je poot optillen. Zelfs onze grote macho Syma laat tot onze grote verbazing z'n plas op die manier lopen als er echt niets in de buurt is. 'Ik hoor water stromen' zegt Emiel ineens. En inderdaad, er loopt een rivier.



Leuk, zou je denken. Alleen blijkt dat wij deze rivier over moeten. We gaan maar eens polshoogte nemen en we zien een op het oog behoorlijk diepe en in ieder geval zeer snel stromende rivier voor ons. Er lopen wel wat bandensporen, het lijkt erop alsof er hier wel eens auto's doorheen gaan. Het is een rivier met meerdere stroomgeulen die er van een afstandje allemaal behoorlijk heftig uit zien. We rijden wat rond en tenslotte besluiten we dat we echt eerst de proef op de som moeten nemen, zelf de rivier in om te testen hoe diep het is en hoe de ondergrond is. In t-shirt en onderbroek en op gympen met een touw om mijn middel (nee, er zijn geen foto's van!) ga ik het erop wagen; als ik val kan Emiel me netjes terug halen naar de kant. En het duurt geen vier stappen voordat het water tot aan mijn dijbenen staat en de stroming zo sterk is dat ik me niet staande kan houden. Terug op het droge is de conclusie onvermijdelijk, dit gaat niet lukken. We zoeken in de buurt totdat we een aantal gers vinden om te vragen of er ergens wel een doorwaadbare plek is. Met handen en voeten vragend komen we er achter dat het water overal zo hoog staat. Er is ook geen vrachtwagen in de buurt, anders konden we nog vragen of zij ons er door wilden trekken. We moeten terug, zo'n 35 kilometer voor de grens. De moed zakt ons nu wel even heel diep in de schoenen, want hoe moeten we dit gaan doen. We hebben nog genoeg diesel denken we om Ulaangom weer te bereiken maar dan? Weer de kaart erbij en we herinneren ons ineens dat Jupar eerder eens vertelde dat er ook een shortcut mogelijk is van Olgii naar Ulaangom. Kijkend op de kaart zien we dat we niet heel ver van deze track afzitten, we hoeven dan niet het hele eind naar Ulaangom terug en kunnen de track oppakken zo'n 15 km van waar we nu zitten. Maar zijn hier geen rivieren die ons pad kruisen waar we niet doorheen komen? Want als we nu een verkeerde keuze maken hebben we echt een probleem. Stomtoevallig is er GSM ontvangst op de plek waar we zijn, we bellen Jupar die godzijdank thuis is en ons kan vertellen dat het inderdaad mogelijk is deze route te nemen, mits we aan de oostzijde van Achit meer blijven. Emiel denkt dat we via deze weg Olgii moeten kunnen redden met de diesel die we hebben. Voordeel van ons gekruip over de weg is dat we heel erg zuinig lijken te rijden.





We vinden de track en rijden nog voorbij twee punten die volgens de GPS een rivier zouden kunnen zijn, veel van deze 'stromen' zijn gewoon droge rivierbeddingen, maar wij nemen nu geen risico meer! Tegen acht uur stoppen we bij een plaatsje dat ook Hovd heet (komt hier nogal vaak voor, plaatsen met dezelfde naam). Normaal gesproken zou je hier misschien niet stoppen voor een bushcamp maar er is een mooie groene plek net buiten het dorpje. We krijgen nog wat bezoek, wat we wel gezellig vinden. Twee heren die graag wat op ons schoolbord willen schrijven. Er cirkelt ook nog een andere jongen om de auto heen die echter niets zegt en weer vertrekt. Een minuut of tien later als wij binnen zitten om wat te eten horen we gefluit om de auto heen. We laten het maar even. Dan wordt er op de deur geklopt. Dezelfde jongen is weer terug met twee broodjes voor de honden en hij wil graag een foto van ze maken. Vonden we hem eerst een beetje autistisch nu vinden we hem toch wel heel erg lief! Later helpt hij Emiel ook nog om boven op de heuvel te laten zien hoe je je telefoon moet houden om een gsm signaal op te pikken om nog net een SMSje te kunnen verzenden.

De volgende dag is het nog een uur of drie rijden om Olgii te bereiken. Zo blij als we een dag of wat geleden waren dat we Olgii eindelijk achter ons lieten, zo blij zijn we nu het weer te zien. En wat nog mooier is, er blijkt nog een tankstation met diesel te zijn. We kunnen de man wel zoenen als hij ons ruim voldoende wil verkopen om de grens te halen; de prijs is wel navenant maar dat kan ons op dit moment echt niet meer schelen!

En zo rijden we dan via dezelfde weg Mongolië uit als we twee weken geleden zo opgetogen binnen kwamen; het kan verkeren. Een kilometer of 20 voor de grens komen we nog een Land Rover tegen met Nederlands kenteken met twee heren. Zij komen net uit de Altai op weg naar Olgii. We vertellen ze maar van onze dieselervaringen, hopelijk kunnen ze er hun voordeel mee doen; het is geen vrolijk nieuws voor ze, maar je kunt maar beter weten waar je aan toe bent. We hopen van harte voor iedereen die onderweg is dat de problemen inmiddels opgelost zijn.

Tegen een uur of vier zijn we bij de grens en het gaat lekker soepel deze keer. Als de douaneman vraagt of we de honden al aangegeven hebben zeggen we gewoon 'ja', dat scheelt een hoop tijd. Bij de Russische kant hebben we het geluk dat dezelfde man die bij de uitreis de paspoorten van de honden zo ijverig gekopieerd heeft de controle mag doen; hij gelooft het wel en wuift ons door. En dan staan we weer op Russisch bodem en hebben we asfalt onder de wielen, we zijn nog nooit zo blij geweest met een asfaltweg!

Dan ligt de lange weg door Rusland voor ons, 5500 kilometer tot de grens met Finland. We hebben maar eens goed op de kaart gekeken; door de Oekraïne willen we niet terug en ook niet door Wit Rusland (we weten ook niet of je een visum nodig hebt). De veerboot om ons kilometers te besparen lijkt ons wel wat en met behulp van Onno die een en ander voor ons uitzoekt besluiten we dat we naar Helsinki rijden om daar de veerboot naar Duitsland te nemen. Dan is het nog maar ruim 400 km naar huis, dat klinkt er aanlokkelijk! Het eerste stuk van de weg, opnieuw door de Altai dus, is goed en mooi. We zien hier goed dat het voorjaar vordert, alles is ineens groen geworden! Helaas betekent dit ook dat de muggen zijn ontwaakt. Waren we tot nu toe redelijk gevrijwaard van ongedierte, nu is het raak! Het is warm en vochtig weer, met menige regen- hagel- en onweersbui. Als er wind staat valt het mee met de muggen, maar deze gaat 's avonds vaak liggen en dat kun je je niet meer buiten begeven, enkel ingepakt in lange broek, regenjas MET capuchon, en alle nog blootgestelde lichaamsdelen ingesmeerd en gespoten met DEET. Een sanitaire stop wordt een uitdaging, soms winnen de muggen! Zelfs de honden hebben er last van en willen graag naar binnen de auto in.
De tweede dag in de Altai krijgen we een gigantische hagelbui op ons dak, gelukkig worden de stenen niet groter dan knikkers, we zijn wel even bang voor formaat golfbal als we zien hoe donker de lucht is en hoe hard het onweert.





Het hele stuk (zo'n 2000 km) tussen Novosibirsk en Ekaterinburg is vrij saai en eentonig, gras en berkenbomen, berkenbomen en gras, en natuurlijk muggen. Maar het stuk door de Oeral (geen hoge bergen hier, gewoon een wat heuvelachtig landschap) is weer aangenaam. Het lukt nog redelijk goed om mooie bivakplekken te vinden, de ene keer beter dan de andere.
Russen zijn dol op picknicken en kamperen, en dat doen ze met overgave en veel eten en drinken. Helaas laten ze vervolgens alles waar dat eten en drinken in gezeten heeft gewoon achter. Juist op plekken waar dus veel mensen een gezellige middag, avond of weekend komen doorbrengen is het een enorme bende. Blijkbaar stoort het ze niet, maar ons gaat het uiteindelijk enorm tegenstaan. Je moet echt zoeken naar een plek waar je niet het gevoel hebt op een vuilnisbelt te staan. Ook bouwafval e.d. wordt op ieder beschikbaar bospad gewoon gestort. Als we met de honden lopen is het altijd oppassen dat ze niet in de rotzooi trappen en tussen glas en plastic gaan lopen neuzen. Hoe krijg je de Russen ooit zover dat ze de boel eens gaan opruimen? Denk niet dat het ooit gaat lukken want ook bijvoorbeeld huizen, fabrieken, flatgebouwen die niet meer gebruikt worden blijven gewoon staan en vervallen langzaam. Het land is gewoon te groot, er is genoeg ruimte om ergens verderop gewoon weer iets nieuws te bouwen. En ook om de huizen heen op de erven is het vaak een enorme rommel. De groentetuintjes liggen er netjes bij, maar al de rest is bijzaak.

Een dag hebben we een benauwd moment als we in een enorme regenbui verzeilt raken en naast een vrachtauto rijden die in een heel diep spoor duikt en zo'n enorme golf water over onze voorruit deponeert dat het wel lijkt alsof we een rivier in rijden. Even zien we helemaal niets en kan Emiel niets anders doen dan het stuur recht houden en gas geven om de golf uit te komen. Maar de adrenaline stijgt wel even tot recordhoogte. Gelukkig loopt het goed af. We zien ook iets wat niet goed is afgelopen; een frontale botsing tussen een vrachtauto en personenauto die net voordat wij voorbij komen moeten hebben plaatsgevonden. De bestuurder van de personenauto kan het onmogelijk overleefd hebben. Als je ziet hoe hier gereden, en dan vooral ingehaald wordt, verbaasd het ons niet. Russische chauffeurs hebben echt het gevoel onkwetsbaar te zijn, mening maal moeten we uitwijken, of word je links en rechts ingehaald. Het rijgedrag is echt ontzettend asociaal. Nu hebben we wel vaker in landen gereden waar de verkeersregels wat vrijer geïnterpreteerd worden en er op een tweebaansweg ook best ruimte is voor vier auto's, maar op de een of andere manier houdt men daar toch wel rekening met elkaar. Hier is het echt ieder voor zich en de rest zoekt het maar lekker uit en moet maar aan de kant.

We rijden uiteindelijk dus ook Moskou en St. Petersburg voorbij, met de honden in het warme weer vinden we het geen optie om de steden in te gaan. We kunnen ze onmogelijk in de auto laten zitten voor een aantal uur (vanwege de warmte) en alleen al de stad in en uit rijden kost een dag. Musea, restaurants, hotel, allemaal lastig of onmogelijk. Daardoor missen we natuurlijk een kant van Rusland dat ons eenzijdige beeld zou kunnen bijstellen. We nemen ons voor om in ieder geval St Petersburg over niet al te lange tijd met een stedentrip aan te doen, maar dan zonder Duco en Syma en lekker met het vliegtuig!

En zo staan we dan uiteindelijk bij de Russisch-Finse grens. De laatste keer de hele riedel aan papierwerk invullen. Het duurt lang ditmaal, want in plaats van te weinig hebben we nu te veel papieren. Ja, je gelooft het niet maar we hebben al sinds we de eerste keer Rusland in zijn gekomen een papiertje voor de invoer van de auto. Bij iedere grensovergang is het papiertje bekeken en bestempeld en weer teruggegeven. Een of twee keer is gezegd dat we het echt als we het land weer uitgaan moeten inleveren, maar niemand wil het hebben. En nu vindt men dit een probleem. We worden aan de kant gedirigeerd en moeten 20 minuten wachten. Emiel wordt kwaad en wil niet 20 minuten wachten, ik kan 'm geen ongelijk geven. Uiteindelijk wordt het binnen een minuut of 10 afgehandeld en krijgen we.... een papier mee wat we zelf hebben ingevuld met een stempel. Niemand wil het hebben, we moeten het zelf bij ons houden... voor ??? Wie het weet mag het zeggen. Tenslotte nog een check door de douane, honden interesseren ze niet (de ene keer moet er van alles, de volgende grens heeft geen enkel belang bij honden) maar voor de allereerste keer is er iemand die wel even wil weten wat er nu in die koffer op het dak zit. 'Hondenvoer' zegt Emiel. De dame wil het zien, de koffer moet open. Dat is prima, alleen, de koffer zit vast op het dak. Emiel staat er op dat de - redelijk gezette- dame de auto opklimt om de inhoud te inspecteren. Ze wil eerst niet maar kan ook niet weigeren en onder grote hilariteit van alle omstanders die het hele proces natuurlijk met veel belangstelling hebben gevolgd, klimt ze met moeite de auto op. Uiteindelijk is ze tevreden en mogen we gaan. Pff, het is raar maar vaak is een land uitgaan tijdrovender dan er in komen.

De Finse grens daarentegen is zo snel, dat we zelfs helemaal verbijsterd zijn dat niemand wil dat we formulieren invullen, niemand de auto wil zien. Er is een paspoortcontrole en that's it. Binnen 2 minuten zijn we de grens over en zijn we terug in de EU. En eerlijk is eerlijk, het is heerlijk om weer in een land te zijn wat je snapt, zelfs al spreek je de taal niet. Iedereen spreekt Engels, het is schoon, de weg is goed, de huizen zijn heel, de tuinen groen. Drie dagen Finland en dan de boot op, naar huis om de auto te laten repareren zodat we daarna weer snel op pad kunnen. Tenslotte hebben we nog tot 1 oktober de tijd!